Op dit moment zijn we gesloten

Volg ons op Facebook voor het laatste nieuws.

The Female Perspective in Documenatary Photography. Does it excist? cobra-museum.nl/en/activity/sy… #gender #documantairetwitter.com/i/web/status/1…

RT @WorldPressPhoto: With the opening of the 'Kati Horna: Compassion and Engagement' exhibition at #Amstelveen’s @cobramuseum, we’re sharin…

Kijk op deze site naar de actuele workshops.

Gerrit Kouwenaar

-

9 augustus 1924 – 4 september 2014

Hij was erbij tijdens de eerste CoBrA-expositie, in 1949 in het Stedelijk: de later beroemd geworden Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar. Samen een aantal collega’s nam hij plaats in de zogeheten dichterskooi. Bezoekers konden daar hun werk lezen, en tijdens de opening werden daar spontaan gedichten voorgelezen. Middelbare scholieren komen  Kouwenaar in hun lesboeken dan ook tegen als lid van de Vijftigers, de groep experimentele dichters die betrokken was bij CoBrA. Ze leren dat de Vijftigers een associatieve, wilde poëzie voorstonden, met een voorliefde voor lichamelijke beeldspraak. Ook de reactie van het toenmalige poëzie-establishment wordt vaak aangehaald: die nieuwe dichters zijn maar onbegrijpelijk en lawaaierig. De gevestigde dichter Bertus Aafjes vergeleek in 1953 de groep jongeren zelfs met de SS – overigens nog geen tien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Wie vervolgens Kouwenaars poëzie leest komt voor verrassingen te staan.

De Dichterskooi in het Stedelijk Museum Amsterdam 1949. Links onder Kouwenaar

Kouwenaar, in 1923 geboren in Amsterdam, publiceerde tijdens de oorlog in een aantal illegale bladen, waarvoor hij een halfjaar gevangenisstraf kreeg. Daarna ontwikkelde hij zich als een interessant voorbeeld van hoezeer de Nederlandse experimentele poëzie ingebed is in de vernieuwingen in de beeldende kunst én de internationale literaire avant-garde. Kouwenaar – die zelf ook nog enige tijd heeft getekend – was onder meer redacteur bij literaire tijdschriften en besprak kunst. Ook vertaalde hij experimentele auteurs uit het buitenland, waaronder de Belgische dichter/tekenaar Henri Michaux, die vaak met het surrealisme geassocieerd wordt, maar alleen zijdelings betrokken was bij die beweging.

In 1949 verscheen een andere samensmelting van literatuur en beeldende kunst: Goede morgen haan, een boekje met gedichten van Kouwenaar en tekeningen van Constant. Tekst en beeld zijn niet rigide van elkaar gescheiden. De woorden zijn oorspronkelijk met de hand geschreven, zinnen golven regelmatig over het papier, en soms staat de tekst over de tekeningen heen. De uitgave past uitstekend tussen de verschillende kruisbestuivingen waar CoBrA en aanverwante groepen grote voorstanders van waren. Kouwenaars tekst is – zeker vergeleken met zijn latere poëzie – opvallend vrij. Ook de andere gedichten uit zijn Vijftigersperiode kunnen uitstekend in die periode geplaatst worden, door de stijl en de maatschappelijke betrokkenheid die eruit spreekt. ‘Elba’ (1952) begint bijvoorbeeld zo:

Pagina uit "Goedemorgen Haan" van Gerrit Kouwenaar en Constant

Ik draag een waarschuwing bloedjas
en ik sta op elba.
Ik heet napoleon, ik heet o.a. napoleon
en ik sta op elba.
Ik draag honderd namen
en ik sta op elba.
Ik ben de achterkant van een heer.
O lieve generalen, zie mijn snavel
op elba.
Wandel met mij de parken verbanning en twijfel.
Er zijn nachten dat ik opzit als een snavelhondje.
Mijn rots is bruin, ge kunt het zien.
Mijn oog is het raderwerk van uw uitvindingen:
ATOOMBOM! Dank u, heren!

Op het moment dat ‘Elba’ verscheen, had Kouwenaar de banden met CoBrA al verbroken. Hij had namelijk het gevoel dat de Vijftigers als ‘een soort franje’ werd beschouwd; ze hadden weinig in te brengen. Desondanks bleef hij nog enige tijd trouw aan de typische associatieve en lichamelijke Vijftigerspoëzie. Echter, hij ontwikkelde zich tegelijkertijd langzaam in een andere richting, die beheerst werd door de opvatting die zijn poëzie lange tijd zou beheersen: de taal als eigen werkelijkheid. Of zoals hij in een interview uit 1964 stelde:

 

 

Ik wil niet schrijven óver iets, geen verhaal, geen gekondenseerd gevoel, niet een woord als vervoermiddel, maar een woord terug brengen tot zijn stoffelijkheid. Ik wil vandaan komen onder de abstraktie, dus de afstand tussen taal en werkelijkheid zo miniem mogelijk maken, en waar ze elkaar bijna raken, waar ze elkaar ruiken, besnuffelen, begint dan de poëzie. Het gedicht als ding.

Bladzijde uit het fotoalbum van K.O. Gotz, Duitse kunstenaar verbonden aan Cobra. Kouwenaar staat tweede van links.

Kouwenaars poëzie werd verstilder, het engagement verdween, en zijn gedichten leken steeds meer in zichzelf gekeerd. Ze werden ook onpersoonlijker, door het consequente gebruik van het weinig specifieke woord ‘men’. Het schrijven zelf werd een belangrijk thema: taal over taal. Deze stijl en opvattingen kregen veel navolging in Nederland; er werd in de poëziekritiek meer dan eens van de ‘Kouwenaar-school’ gesproken. Het is een behoorlijke verandering ten opzichte van de Vijftigerspoëzie. Hij beschreef zijn nieuwe poëzieopvatting misschien wel het best met de bundeltitel Volledig volmaakte oneetbare perzik (1978): een vrucht die geheel van taal is gemaakt, waar je niet van kunt eten, maar die desondanks perfect talig is.

Het onpersoonlijke en het puur taalgerichte verdwenen langzaam uit Kouwenaars poëzie. Hoe gesloten de gedichten soms ook leken, ze schetsten evenwel ook steeds vaker herkenbare situaties. Uit de poëziekritiek bleken die situaties bovendien vaak uit het leven van de dichter zélf te komen. Die ontwikkeling vond zijn hoogtepunt in Totaal witte kamer (2002). Kouwenaar schreef de bundel – overigens zijn laatste reguliere, daarna verschenen er nog een dunne Gedichtendag-uitgave met nieuw werk, en de dikke verzamelbundel Vallende stilte (2008) – nadat zijn vrouw Paula was overleden. Rouw en verlies spelen een grote rol in de gedichten; een ontwikkeling die een paar decennia geleden nog net zo onwerkelijk had geleken als de ex-Vijftiger die een verstilde dichter werd. Kouwenaar overleed in 2014, op 91-jarige leeftijd.

Pagina uit het fotoboek van K.O. Gotz

Schrijf u in voor de Cobra Museum nieuwsbrief