Bert Schierbeek

-

28 juni 1918 – 9 juni 1996

 

Tijdens de roemruchte Cobra-expositie in het Stedelijk Museum was er een dichterskooi. Daarin namen dichters plaats, die hun poëzie voorlazen aan bezoekers. Deze dichters waren lid van de Vijftigers, de Nederlandstalige dichtersgroep die gelieerd was aan Cobra. Bert Schierbeek was weliswaar een van de centrale Vijftigers, maar hij staat vooral bekend als prozaïst. Het grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit proza, die overigens allesbehalve traditioneel was – zelf sprak Schierbeek over ‘proëzie’.

Schierbeek werd in 1918 geboren in Glanerbrug, vlakbij Enschede. Omdat zijn moeder aan kraamkoorts overleed, groeide hij op op het Groningse platteland, bij zijn grootouders. Op zijn elfde trok hij weer in bij zijn vader, die inmiddels hertrouwd was. Hij ging twee jaar naar de MULO, voordat hij naar het Enschedees Lyceum mocht. Daar werd zijn interesse in literatuur en politiek aangewakkerd. In 1941 trok hij naar Amsterdam, waar hij sociale geografie wilde studeren (tegen de wil in van zijn vader, die hoopte dat de enthousiaste lezer dominee zou worden), maar van studeren is het nooit gekomen. Schierbeek weigerde namelijk de loyaliteitsverklaring te tekenen: de verklaring die elke aankomende student moest tekenen, om te beloven dat hij zich zou ‘onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk […] gerichte handeling’. Dat weigeren was Schierbeeks eerste daad van verzet.

De Vijftigers: V.l.n.r. Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Jan G. Elburg, Bert Schierbeek en Hugo Claus

Daarna volgden onder meer illegale koerieracties en het zoeken naar adressen voor onderduikers. Hij kwam zo in contact met de verzetsgroep CS-6, die onder meer een niet-doorgegane aanslag op Anton Mussert beraamde. De gruwelen waar Schierbeek mee te maken kreeg, inspireerden hem tot zijn eerste boek: Terreur tegen terreur (1945). Daarna volgde Gebroken horizon (1946) dat gevoed werd door zijn afkeer van de politionele acties. Beide romans worden gezien als atypisch voor zijn oeuvre, omdat ze traditioneel van vorm waren. Hoogstens vielen er enkele surrealistische trekjes op in Gebroken horizon.

Bert Schierbeek(links) en kunstenaar Jan Sierhuis 1974

Dat traditionele veranderde in 1951, toen het boek verscheen waar Schierbeek zijn naam mee vestigde: Het boek ik, dat gezien wordt als de eerste experimentele roman van Nederland. Een verhaallijn ontbrak, ten faveure van taalspel en wilde beelden. Dat was enigszins vergelijkbaar met Schierbeeks collega-Vijftigers deden in de poëzie (of Cobra in de beeldende kunst), maar Schierbeek koos juist voor de roman als medium voor zijn vernieuwende experimenten. Zijn politieke verzet ging over in een verzet tegenover vaste kaders en vormen. Dat kwam hem op kritiek te staan van Gerard Reve, die het boek afdeed als ‘woordkakkerij’, maar hij werd ook geprezen door W.F. Hermans, die notoir zuinig met kritiek was. Om een indruk te geven, Het boek ik begint zo:

…, want de tijden waren vol geworden en de enkele goden die nog restten bouwden hun onderkomens in kelders. het grote splijten is begonnen en de splitsomachie zet zich in ons voort en reeds jaren zijn de beddingen te nauw en verbreed om het breed worden te pleiten in eigen boezem… groot zijn de stuwdammen die het leven en de dood in ons optrekt en hoog en dik… en zéér vele.

Er volgden nog diverse genre- en vormdoorbrekende boeken, die zoals gezegd door de schrijver zelf ‘proëzie’ werden genoemd. Hij werkte samen met (voormalige) Cobra-schilders, zoals Karel Appel, die zo vol lof was over Schierbeeks Ezel mijn bewoner, dat hij besloot het boek te illustreren. In 1972, na het overlijden van zijn tweede vrouw Margreetje van Zutphen, verscheen de ‘volbloed’ gedichtenbundel De deur. Een paar decennia na de dichterskooi leek Schierbeek de dichter in zichzelf volledig te omarmen, en verschenen naast experimenteel proza ook gedichtenbundels van Schierbeeks hand.

Schierbeek bleef het schrijven van poëzie volhouden tot aan zijn dood in 1996. Anders dan mede-Vijftigers Lucebert en Kouwenaar is Schierbeek geen schrijver gebleken die nog breed gelezen wordt. Toch duikt zijn naam nog regelmatig op, bijvoorbeeld bij de jonge dichter Radna Fabias (1983). Zij laat haar bekroonde debuutbundel Habitus (2018) beginnen met een lang citaat van Schierbeek:

ik had een droom waarin ik mijzelf terugzag
in het donker, zoals ik me nu zelf vaak zie
in het donker, bewegend en zoekend
de warme handen, de holle spiegel
waarin ik blind mijzelf was
een bal was mijn huis en zij omgaf mij
maakte mij vorm, maar dat wist ik niet
want ik zag mijn vorm niet
blind ben je bij je moeder, zegt de politieman

Fabias werd onder meer geprezen vanwege haar ‘subversieve stem die afkomst, bestemming, lichaam en perspectief te lijf gaat en daarbij zichzelf en de ander niet spaart. […] Deze poëzie is vlezig, goddelijk vunzig soms – en breekt de Hollandse dichtkunst weergaloos open, rekent af met het veilige vers.’ Schierbeek – op diverse manieren een verzetsman – zal trots zijn geweest.

Schrijf u in voor de Cobra Museum nieuwsbrief