| INHOUDSOPGAVE:
INLEIDING
COBRA IN HET ALGEMEEN
KAREL APPEL
CONSTANT
CORNEILLE
EUGÈNE BRANDS
ASGER JORN
HENRY HEERUP
PIERRE ALECHINSKY
LITERATUURLIJST
INLEIDING
De
Cobra beweging en haar belangrijkste vertegenwoordigers
Aan de hand van de volgende pagina's kun je als leerling van de
bovenbouw van het voortgezet onderwijs kennis maken met de Cobra
beweging. Na een overzicht over Cobra in het algemeen vind je een
tekst over een Cobra kunstenaar.
INFORMATIE
OVER DE COBRA KUNSTENAAR
De informatie over de Cobra kunstenaar is als volgt opgezet:
- een biografie: een korte levensbeschrijving vóór,
tijdens en vlak na de Cobra periode
- de betekenis van de kunstenaar voor de Cobra beweging
- het werk van de kunstenaar in relatie tot Cobra
- een thema nader toegelicht
Literatuur
en film van Jan Vrijman
Zowel bij de inhoudsopgave als bij de tekst over de Cobra kunstenaar
tref je verwijzingen naar literatuur aan. In het Cobra Museum is
een leestafel ingericht waar een aantal van deze boeken ter inzage
liggen. De meeste boeken zijn aanwezig in de bibliotheek of verkrijgbaar
in de boekhandel van het museum.
Als je het leuk vindt de film van Jan Vrijman 'Cobra, een opstand
tegen de orde' te bekijken kun je een afspraak maken met het Cobra
Museum: 020-5475050.
Juliette
Verhofstad, museumdocent
COBRA IN HET ALGEMEEN
Cobra,
een gevaarlijke slang of iets anders?
Een cobra is wel degelijk een gevaarlijke giftige slang. Maar het
woord Cobra staat ook voor de afkorting van de Franse namen van
de steden: Copenhague, Bruxelles en Amsterdam. Uit deze drie steden
komen de kunstenaars vandaan die op 8 november 1948, tijdens een
groot internationaal kunstenaarscongres in Parijs, de Cobra groep
oprichten. Een opgerolde slang wordt het symbool van de beweging.
In het Parijse café Notre Dame ondertekenen Asger Jorn (uit
Kopenhagen), Joseph Noiret en Christian Dotremont (uit Brussel)
en Constant, Corneille en Karel Appel (uit Amsterdam) het manifest:
'La Cause était entendue' (De zaak was beklonken). Dit manifest,
opgesteld door Dotremont, is een reactie op een verklaring van de
Franse surrealisten die 'La Cause est entendue' (De zaak is beklonken)
heet. Dotremont maakt in zijn betoog duidelijk dat zij het niet
meer eens zijn met deze Franse kunstenaars. De Cobra kunstenaars
willen een nieuwe weg inslaan: zij willen zonder vooropgezet plan
en met veel fantasie werken. In september 1951 wordt de Cobra beweging
officieel weer opgeheven. Cobra is in haar korte bestaan een belangrijke
periode van ontmoetingen, uitwisselingen en onderlinge beïnvloeding.
Wie
zijn de Cobra kunstenaars?
De kern van de Cobra groep bestaat uit de kunstenaars die het manifest
hebben ondertekend. Al gauw sluiten zich vele kunstenaars bij deze
kern aan. Uiteindelijk zijn meer dan veertig kunstenaars lid of
zijdelings betrokken bij Cobra. Niet alleen schilders, maar ook
beeldhouwers, dichters, fotografen en filmers voelen zich aangetrokken
tot de ideeën van Cobra. Hier volgt een lijst van de meest
voorkomende namen in alfabetische volgorde:
uit Denemarken: Mogens Balle, Ejler Bille, Henry Heerup, Egill Jacobsen,
Carl-Henning Pedersen.
uit België: Pierre Alechinsky, Hugo Claus, Reinhoud d'Haese.
uit Nederland: Eugène Brands, Lucebert, Anton Rooskens, Theo
Wolvecamp.
Ook kunstenaars uit andere landen dan de oorspronkelijke drie doen
mee:
Jean Michel Atlan (Algerijë), Jacques Doucet (Frankrijk), William
Gear en Stephen Gilbert (Schotland), Karl Otto Götz (Duitsland),
Shinkichi Tajiri (Amerika).
Wat
is de Cobra taal ?
Hoewel iedere kunstenaar zijn eigen stijl ontwikkelt is er sprake
van een herkenbare Cobra stijl, de zogenaamde Cobra taal. Niet iedereen
hanteert de Cobra stijl gedurende de periode van 1948 tot en met
1951, soms komt deze pas na die tijd tot stand. De taal bestaat
uit een bepaalde manier van schilderen, een bepaald kleurgebruik
en uit een aantal kenmerkende onderwerpen.
De
manier van schilderen
De Cobra kunstenaars schilderen vrijwel altijd direct en spontaan.
Net als kinderen willen zij zonder vooropgezet plan en met veel
fantasie werken. Zij zetten zich af tegen de regels van de kunstacademie.
Zij vinden het bijvoorbeeld niet belangrijk om de regels van het
perspectief toe te passen. Cobra kunstenaars streven naar een ongedwongen
kunst en proberen met allerlei materialen te werken. Het experiment
staat voorop. De Cobra kunstenaars presenteren zich als 'experimentelen'.
De Deense Cobra kunstenaars zijn al ruim voor de oorlog aan het
experimenteren. Asger Jorn moedigt Constant Nieuwenhuys aan hetzelfde
in Nederland te doen. Op 16 juli 1948 richt Constant samen met o.a.
Karel Appel en Corneille de 'Nederlandse Experimentele Groep' op,
die op 8 november 1948 overgaat in de Cobra groep.
Het
kleurgebruik
Cobra kunstenaars maken kleurrijke werken. Zij brengen hun verf
vaak onvermengd op het doek aan.
Kenmerkende
onderwerpen
Het dier zoals een vogel, kat, hond, slang is een favoriet onderwerp
bij de Cobra kunstenaars. Fantasiebeesten en fantasiewezens zijn
ook zeer geliefd. Sommige wezens bestaan uit een combinatie van
dieren en mensen. Het masker spreekt eveneens tot de verbeelding.
Cobra kunstenaars laten zich bij het maken van hun afbeeldingen
inspireren door mythen, kindertekeningen, volkskunst, de prehistorie,
oosterse kalligrafie, primitieve kunst (niet-westerse kunst uit
o.a. Afrika en Oceanië) en kunst van geesteszieken. Corneille
heeft hierover gezegd: "Wij gebruikten alles, hielden van alles.
Van kindertekeningen, folklore, tekeningen van krankzinnigen, negermaskers".
Vooral de Deense Cobra kunstenaars hebben belangstelling voor mythen.
Sommigen menen in hun werk zelfs nieuwe mythen te scheppen. Om die
reden worden zij ook wel mythescheppende kunstenaars genoemd. In
Nederland wordt de kindertekening veel als directe bron gebruikt.
In België, waar de interesse voor het schrift groot is, bestuderen
een aantal Cobra kunstenaars de oosterse kalligrafie. Dotremont
en Alechinsky zijn geboeid door het persoonlijk handschrift; zij
zien dit als de meest intieme en directe uiting van de psyche van
de mens.
Wat
zijn de Cobra theorieën ?
Een paar kunstenaars houden zich niet alleen bezig met het maken
van kunstwerken, maar ook met theorieën over kunst en de rol
van de kunstenaar in de maatschappij. Asger Jorn, Christian Dotremont
en Constant Nieuwenhuys zijn hier in de eerste plaats mee bezig.
Zij gaan uit van de communistische leer van Marx, maar vullen diens
ideeën aan met gedachtegangen over kunst. Hun streven is een
kunst vóór en vooral ook dóór iedereen,
ongeacht klasse, nationaliteit, kennis- en opleidingsnivo. Jorn,
Dotremont en Constant zoeken een kunst die spontaan voortkomt uit
de fantasie.
Jorn schrijft ook over de relatie tussen beeldende kunst en architectuur.
Hij vindt dat deze onlosmakelijk verbonden zijn. Met een foto van
een primitieve hut die door zijn bewoners versierd is laat hij zien
hoe mooi deze combinatie is. In een aantal samenwerkingsprojecten
van de Cobra kunstenaars worden Jorns idealen verwezenlijkt.
Samenwerken
op één doek, één papier, één
muur, kan dat?
Ja, samenwerken aan één kunstwerk is een speciale
bezigheid binnen de Cobra groep. De kunstenaars werken samen op
één doek, één stuk papier of op één
muur. Soms laten de volwassenen hun kinderen meedoen. Zo maakt Anton
Rooskens met zijn zevenjarig dochtertje Marcelle een prentenboek
waarin hij de versjes van zijn kind aanvult met kleurrijke voorstellingen.
Peinture-mots:
woordschilderingen
Dichters en schilders creëren eveneens gezamenlijke werken.
Schrift en beeld combineren zij op een vrije manier. Deze werken
worden 'peinture-mots': woordschilderingen, genoemd.
TWEE
BELANGRIJKE SAMENWERKINGSPROJECTEN IN DENEMARKEN:
'het congres te Bregneröd' en de boerderij van Erik
Nyholm
In de zomer van 1949 komen gedurende een maand Cobra leden en vrienden,
sommigen met hun vrouwen en kinderen, samen in een weekendhuis voor
Deense architectuurstudenten te Bregneröd, vlakbij Kopenhagen.
De Denen zijn in de meerderheid, enkele kunstenaars komen uit Frankrijk,
Engeland en Zweden, Dotremont is de enige Belg, de Nederlanders
zijn echter niet aanwezig. Het huis is aan Jorn ter beschikking
gesteld tegen de belofte het van binnen te decoreren. Als één
grote familie woont en werkt iedereen, zelfs de kinderen, samen.
Er worden schilderijen, gedichten, en sculpturen gemaakt. De muren
van het huis en vele daar aanwezige voorwerpen moeten het zelfs
ontgelden. Het ideaal van Cobra wordt tijdens dit evenement, het
'congres te Bregneröd', verwezenlijkt. Een kleine, vrije maatschappij
uit zich zonder speciale eisen, zonder vooropgezette normen. Tegelijk
worden de ideeën van Jorn over de combinatie van beeldende
kunst en architectuur in praktijk gebracht. Helaas is de beschildering
van het huis met uitzondering van een gedeelte van het plafond verloren
gegaan, korte tijd later wordt het namelijk overgeschilderd. Wel
zijn enkele foto's bewaard gebleven (zie De taal van Cobra p.24,
25 en Cobra p.136, 137).
In
de boerderij van Erik Nyholm, een forellenkweker en
keramist, worden eind november 1949 de Nederlandse kunstenaars Appel,
Constant en Corneille ontvangen. Binnen een zeer korte tijd worden
ook hier deuren, wanden, het plafond en enkele voorwerpen bedekt
met fantasiewezens. Het is een levendig geheel. De drie Nederlanders
schrijven hun naam met de datum boven een deur. Corneille schrijft
boven de ingang van het huis nog een tekst: 'Entrez, ici c'est vivre'.
Na hun vertrek komt Jorn op bezoek en beschildert samen met Nyholm
een overgebleven wand in de keuken. Gelukkig heeft Jorn alles op
foto vastgelegd, want ook deze schilderingen zijn, op het plafond
van Constant na, verdwenen (zie De taal van Cobra p. 26 t/m 31 en
Cobra p. 141).
Het
Cobra tijdschrift
Het tijdschrift van de Cobra beweging krijgt dezelfde naam als de
groep: 'Cobra'. Het is het beste middel om de internatiomale samenwerking
te realiseren. Christian Dotremont is behalve secretaris van de
groep ook hoofdredacteur van het blad. De teksten worden voornamelijk
in het Frans geschreven. Zowel artikelen als afbeeldingen van kunstwerken,
verhalen en gedichten verschijnen in het tijdschrift. Nummer vier
is een speciale editie; het wordt als catalogus voor de eerste grote
internationale tentoonstelling in 1949 in het Stedelijk Museum te
Amsterdam gebruikt. Op de kaft steekt een flinke tong uit een wijdgeopende
mond: de kunstenaars hebben genoeg van de burgelijke maatschappij!
(zie Cobra p.91; de Cobra krant en Cobra 40 p.8)
TWEE
GROTE COBRA TENTOONSTELLINGEN: 1949 IN AMSTERDAM EN 1951 TE LUIK
In de korte tijd van haar bestaan vinden twee grote Cobra tentoonstellingen
plaats: één in 1949 in Amsterdam en één
in 1951 te Luik.
In Amsterdam stelt de voormalige directeur van het Stedelijk Museum,
Willem Sandberg, zeven zalen ter beschikking aan de kunstenaars
uit tien verschillende landen (zie affiche Cobra 40 p.33). Sandberg
is een zeer vooruitstrevende man en hij wil graag werk van nieuwe
kunstenaars laten zien. De meeste schilderijen zijn vrij klein van
formaat omdat de kunstenaars niet veel geld hebben. Sandberg besluit
daarom een voorschot te geven om materiaal te kopen. In de week
van de voorbereiding maken Appel, Constant, Corneille en Brands
nog even een paar grote doeken. Appel vervaardigt er zelfs twee,
terwijl Corneille in plaats van een plat doek een kubus maakt.
De architect Aldo van Eyck die zeer enthousiast is over de vrije
werkwijze van de Nederlandse Cobra kunstenaars, mag de expositie
inrichten. Hij doet dit op een hele speciale manier. Van Eyck hangt
de doeken op verschillende hoogtes op, soms op wel drie meter van
de grond. Enkele werken zet hij tegen de plint van de vloer. Voor
de Nederlandse dichters maakt hij een grote kooi van zwarte latten
en plaatst deze tegen een muur in een kleine, zwart beschilderde
zaal. Tussen de latten worden woordschilderingen, dichtbundels en
losse kreten opgehangen. Gedichten die niet mooi gevonden worden
zijn tegen de wand geplakt en van een groot kruis voorzien. Deze
gedichten willen de Nederlandse experimentele dichters afschaffen
(zie Cobra p.116 t/m 119). Op de tentoonstelling hoort de bezoeker
tromgeroffel uit Afrika op de achtergrond.
In de kranten wordt fel gereageerd op deze tentoonstelling. In Het
vrije Volk (12.11.1949) spreekt de criticus over Geklad, Geklets
en Geklodder in het Stedelijk Museum. Appel, Constant en Corneille
e.a. worden gezien als knoeiers, kladders en verlakkers.
De
expositie in Luik is nog groter van omvang, maar tevens de laatste
manifestatie van Cobra (zie affiche Cobra 40 p.48 en de Cobra krant).
Veel leden zijn het niet meer met elkaar eens. Daarna slaat iedereen
zijn eigen weg in.
KAREL APPEL
Biografie
Karel Appel is een veelzijdige kunstenaar: hij is zowel schilder,
beeldhouwer als dichter.
Hij wordt in 1921 geboren in de Dapperstraat te Amsterdam. In dezelfde
stad volgt hij van 1940 tot 1943 zijn opleiding aan de Rijksacademie.
Hier ontmoet hij Corneille met wie hij naar Parijs gaat. Bij terugkeer
leert hij Constant kennen. Gedrieën richten zij met Anton Rooskens,
Theo Wolvecamp en Jan Nieuwenhuys de `Nederlandse Experimentele
Groep' op, die later overgaat in Cobra. In 1950 vestigt Appel zich
voor langere tijd in Parijs. Later in zijn loopbaan verhuist hij
naar New York.
Appel
en de Cobrabeweging
Appel is een van de mede-oprichters van de Cobra beweging. Op 8
november 1948 ondertekent hij in café Notre Dame het manifest
'La Cause était entendue' (De zaak was beklonken). Een jaar
later doet Appel mee aan de grote Cobra tentoonstelling in het Stedelijk
Museum in Amsterdam. Hij maakt speciaal hiervoor twee doeken op
groot formaat, waarvan hij één 'Mens en dieren' noemt
(zie Cobra p.113 en Het kind in Cobra p.18). Mens- en diermotieven
zijn kenmerkend voor de Cobra beweging. Cobra kunstenaars vinden
het echter niet belangrijk om deze exact na te bootsen. Zij laten
de motieven uit hun fantasie ontspruiten. Appel slaagt hier zeer
goed in.
Appels werk in relatie tot Cobra
Appel is geen theoreticus zoals Dotremont, Jorn en Constant. Hij
is een doener. Al vóór, maar ook tijdens de Cobra
periode experimenteert Appel veel. Hij verzamelt allerlei afvalmaterialen.
Met stukken hout, rubber, kurk en ijzer maakt hij assemblages (reliëfs)
zoals 'Drift op zolder' (zie De taal van Cobra afb. 16). Zelfs het
luik van zijn zolderraam gebruikt hij voor dit werk.
Appel kijkt niet alleen wat hij kan doen met gevonden voorwerpen,
maar experimenteert ook met diverse materialen zoals olieverf, gouache
(plakkaatverf), aquarel (waterverf) en keimverf (een speciaal soort
muurverf). Hij houdt van felle kleuren en maakt de vormen zo eenvoudig
mogelijk: in een paar lijnen en vlakken zet hij een figuur, dier
of plant neer. Zijn werken zien er vaak kinderlijk uit, zodat Appels
stijl ook wel aangeduid wordt als `de volwassen kinderlijke stijl'.
Karel Appel werkt niet alleen in zijn eentje, maar ook samen met
andere schilders of dichters. Zo tovert hij met de schilder Constant
enorme angstaanjagende dieren en figuren tevoorschijn op de wanden
in het huis van Constant. Met Constant en Corneille beschildert
hij eveneens het interieur van de boerderij van Erik Nyholm. Niet
alleen de wanden, maar ook het plafond en de deuren moeten het ontgelden.
Appel maakt tevens tekeningen bij gedichten van Hugo Claus: 'De
blijde en onvoorziene week' (zie De taal van Cobra afb. 177) en
bij teksten van Hans Andreus: 'De ronde kant van de aarde' (zie
de taal van Cobra afb.178).
Na de Cobra tijd smeert Appel de verf steeds dikker op het doek.
Hij zet lijnen en vlakken in heftige bewegingen neer. Zijn beroemde
uitspraak: "Ik rotzooi maar een beetje an. Ik leg het er tegenwoordig
flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en
blote handen tegenaan, ik gooi d'r soms hele potten tegelijk op"
is typerend voor zijn dynamische werkwijze.
Een
thema nader toegelicht: vragende kinderen
Karel Appels befaamde muurschildering 'Vragende kinderen' uit 1949
in de kantine van het stadhuis te Amsterdam wordt de 'twistappel'
genoemd (zie De taal van Cobra p.118,119; Het kind in Cobra p.6,
9, 10 en de Cobra krant). De ambtenaren vinden het maar niks om
naar een muur te kijken met kinderen die slechts uit een paar gekleurde
vlakken bestaan. Met stippen zijn de ogen aangegeven en een van
de armen is een rechte lijn met drie streepjes om de vingers aan
te duiden. In de krant wordt met deze kinderen gespot: "Zij
kunnen niet zitten, zij hebben geen billetjes". Ook wordt geschreven
dat zij meer op een verzameling kilometerpaaltjes lijken. De gemeente
besluit uiteindelijk het werk achter behang te verbergen. Na tien
jaar mag de muurschildering weer tevoorschijn gehaald worden.
Wanneer Appel na de Tweede Wereldoorlog door Duitsland reist ziet
hij hongerige kinderen op het perron bedelen. Dit raakt hem zeer.
Hij maakt allerlei variaties op dit thema.
Een `Vragend kind' uit 1950 creëert hij met olieverf (zie De
taal van Cobra afb.19 en Het kind in Cobra p.26). Dit uit enkele
lijnen en kleurvlakken opgezette werk schenkt Appel aan Willem Sandberg,
de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum (zie Cobra 40 p.27).
Lange tijd is het te zien op diens werkkamer. Sandberg is heel belangrijk
voor de Cobra kunstenaars. Hij toont hun werk in zijn museum en
speelt soms een bemiddelende rol bij speciale opdrachten. Appel
mag bijvoorbeeld een kleine ruimte in het Stedelijk beschilderen
(zie Het kind in Cobra p.18). In deze zogenaamde Appelbar komt het
vragend kind motief weer terug, evenals op enkele houten reliëfs
(zie Cobra p.323 afb.121; Cobra 3 dimensionaal p.115, afb.99 en
Het kind in Cobra p.25).
CONSTANT
Biografie
Constant Anton Nieuwenhuys, geboren in 1920 in Amsterdam, is zowel
schilder als beeldhouwer. Van 1939 tot 1942 gaat hij naar de Kunstnijverheidsschool
en de Rijksacademie in Amsterdam. Appel en Corneille zitten dan
nog niet op de Rijksacademie, zodat Constant geen contact met hen
heeft. Wel ontmoet hij Asger Jorn al in 1946 in Parijs. In hem vindt
hij een gelijkgestemde. Zij schilderen allebei en houden zich bezig
met theorieën over kunst en de maatschappij. Als Constant kennis
maakt met Appel en Corneille richten zij samen met een aantal andere
kunstenaars de `Nederlandse Experimentele Groep' op, die niet lang
daarna overgaat in de Cobra groep. In 1950 vestigt Constant zich
in Parijs, maar keert al snel terug naar Amsterdam.
Constant
en de Cobra beweging
Constant is een van de mede-oprichters van Cobra. Hij is voor de
Nederlandse Cobra kunstenaars de voornaamste contactpersoon met
het buitenland. Hij schrijft veel manifesten en artikelen, waarbij
hij de maatschappelijke rol van de kunstenaar bekijkt en oproept
tot de bevrijding van creativiteit en fantasie. Hij wil een nieuwe
maatschappij met een nieuwe kunst. In zijn voor de `Nederlandse
Experimentele Groep' opgestelde manifest, dat tijdens de Cobra periode
nog steeds van groot belang is, schrijft hij: "Het kind kent
geen andere wet dan zijn spontaan levensgevoel en heeft geen andere
behoefte dan dit te uiten. Hetzelfde geldt voor de primitieve culturen,
en het is deze eigenschap ook, die deze culturen een zo grote bekoring
verleent voor de mens van heden die in een morbide sfeer van onechtheid,
leugen en onvruchtbaarheid moet leven". In dit manifest staat
ook zijn inmiddels bekend geworden uitspraak: "Een schilderij
is niet een bouwsel van kleuren en lijnen, maar een dier, een nacht,
een schreeuw, een mens, of dat alles samen" (lees De taal van
Cobra p.268, 269 en Het kind in Cobra p.8 en 13).
Het
werk in relatie tot Cobra
Al voor de oprichting van Cobra ontmoet Constant de Deen Asger Jorn.
Dit contact is van groot belang voor hem. Onder invloed van Jorn
maakt Constant fantasierijke dieren en figuren in zijn schilderijen.
Ook in zijn tekeningen komen deze wezens voor. Hij raakt bovendien
steeds meer geboeid door de kindertekening. In grove lijnen en vormen
zet hij zijn kinderlijk uitziende afbeeldingen op doek neer. In
samenwerkingsverband komt het kind in hem ondermeer tot uiting in
`Goede morgen Haan' gemaakt met de dichter Gerrit Kouwenaar (zie
De taal van Cobra afb. 171) en in `Some of these days' (Een dezer
dagen) (zie De taal van Cobra afb. 173). Ook in zijn huis schildert
Constant samen met Appel reusachtige dieren en figuren op de muren
die aan kindertekeningen doen denken (zie Cobra p.138). In de boerderij
van Erik Nyholm brengt hij levendige schilderingen aan (zie Cobra
p.139 t/m 141; De taal van Cobra p.26, 28, 29, 31 en Het kind in
Cobra p.14). Zijn zoontje Victor laat hij meewerken aan een cementen
muurreliëf in de tuin van Jorns broer (zie Cobra p.138 en Het
kind in Cobra p.14).
Een
thema nader toegelicht: de oorlog
In de loop van 1950, als Constant in Parijs verblijft, verwerkt
hij steeds meer de verschrikkingen van de oorlog. Elementen uit
de realiteit zoals een brandend huis, een gevallen fietser, hulpeloze
gewonden en doden worden door hem geschilderd. Wielen en ladders,
vaak kapot of verwrongen, gebruikt hij als symbool voor destructie.
Zelfs de wanden van zijn kamer worden beheerst door deze wereld
van verschrikkingen. Ook vlak na de Cobra tijd werkt dit thema door.
Zijn composities zijn echter eenvoudiger: slechts een vuist, een
vlam of een andere krachtige vorm geven nu het idee van opstand
en agressie weer (zie De taal van Cobra afb.52).
CORNEILLE
Biografie
Corneille Guillaume Beverloo is op 3 juli geboren te Luik in het
Frans sprekende deel van België. Zijn ouders zijn Nederlanders.
Hij studeert aan de Kunstnijverheidsschool en volgt een cursus tekenen
en etsen aan de Rijksacademie in Amsterdam. Hij sluit vriendschap
met Karel Appel, die op dat moment ook op de academie zit. Als schilder
is Corneille autodidact. Behalve schilderijen maakt hij gedichten,
grafiek, keramiek, foto's en designontwerpen. Heb jij zijn beschilderde
tram, pennen, broches en scheerapparaat wel eens gezien?
Corneille is zeer reislustig: in 1947 gaat hij naar Hongarije, een
jaar later reist hij voor het eerst naar Noord-Afrika, hij bezoekt
Denemarken en Zweden en maakt nog veel meer uitstapjes naar het
buitenland: o.a. Brazilië, Cuba, China en Japan.
In 1948 richt Corneille samen met Constant, Appel, Rooskens en Wolvecamp
de `Nederlandse Experimentele Groep' op, in hetzelfde jaar volgt
de oprichting van Cobra. In 1950 vestigt hij zich in Parijs, waar
hij nog steeds woont.
Corneille
en de Cobrabeweging
Corneille is betrokken bij alle belangrijke Cobra gebeurtenissen;
bij de oprichting van Cobra en bij de tentoonstellingen over Cobra.
Zijn gedichten verschijnen o.a. in het Cobra tijdschrift. Hij is
de redacteur van het vierde nummer van Cobra dat als catalogus wordt
gebruikt bij de grote Cobra tentoonstelling in het Stedelijk Museum
in 1949.
Het
werk in relatie tot Cobra
De periode vlak voor het ontstaan van Cobra en de Cobra jaren zijn
voor Corneille een voorbereidingstijd voor zijn latere werk. De
Cobraperiode is vooral een tijd van experimenteren. Hij past een
grote variëteit aan motieven en verschillende teken- en schilderwijzen
toe. Ook gaat hij steeds intuïtiever te werk. Over deze intuitieve,
spontane manier van werken zegt Corneille: " Wij hebben nooit
met een vooropgezet idee gewerkt zoals dat in de 19e eeuw ging.
De schilder had een schilderij in zijn hoofd, ging naar zijn atelier
en maakte dat wat hij tevoren bedacht had. Bij ons stond voorop
dat het spontaan moest gebeuren. Wij hebben verf, wij hebben linnen,
een paar kwasten en dan beginnen we. Verder willen we nergens aan
denken. Dat schilderij heeft ook zijn rechten, ik zou zelfs nog
verder willen gaan: het schilderij wordt gemaakt maar heeft een
eigen stem en maakt ons dus ook..." In zijn kunstwerken wisselt
Corneille strakke, rechte lijnen af met ronde en vrije strepen.
Tussen deze labyrintachtige constructies plaatst hij vrolijke figuren,
vogels en andere dieren. Ook voegt hij op een speelse manier poëtische
teksten toe.
Soms werkt Corneille samen met andere kunstenaars. Met drie Skandinavische
collega's maakt hij een collectieve litho (steendruk) getiteld:
'Some of these days' (Een dezer dagen) (zie Cobra p.142 en De taal
van Cobra afb.173). In een brief beschrijft hij dit samenspel als
"een waarlijk Indianenfeest rond een steen". Ook is Corneille
bij de beschildering van de boerderij van Erik Nyholm aanwezig (zie
Cobra p.139, 140 en De taal van Cobra p.26, 30, 31). Boven de ingang
van het huis schrijft hij `Entrez, ici c'est vivre'.
Met Dotremont vervaardigt hij een serie improvisaties (zie De taal
van Cobra afb.172) en bij de gedichten van Hugo Claus creëert
hij illustraties (zie De taal van Cobra afb.175, 176 en 177).
Een
thema nader toegelicht: de stad
Begin 1947 ontmoet Corneille toevallig een Hongaarse vrouw op straat,
terwijl hij een handkar met schilderijen vervoert. Zij bekijkt zijn
werk en is er zo enthousiast over dat zij hem een reis naar Hongarijë
aanbiedt. Corneille brengt ongeveer vier maanden in de hoofdstad
Boedapest door. De sfeer en de verwoestingen die in deze stad door
de oorlog zijn aangericht maken een diepe indruk op hem. Het oudste
gedeelte van de stad Buda is een chaos. Vooral de verwaarloosde
tuinen van het koninklijk paleis bieden een fantastisch schouwspel.
Hierover vertelt Corneille: "De tuinen lagen daar blauwig grijs
in de warme middagzon. Alles trilde, vibreerde, gonsde, zong en
bewoog. De vogels, de vlinders, vliegen, bijen, alles vloog, dwarrelde,
buitelde en danste een wilde dans..." Corneille wordt verrast
door de overweldigende natuur en de ruïnes. In de natuur ontdekt
hij een spel van ronde, kolkachtige lijnen en gebogen vlakken, terwijl
hij in de ruïnes strenge en strakke lijnen ziet. Enthousiast
over deze ontdekking gaat hij aan de slag. Over zijn nieuwe werken
zegt hij: "Mijn kracht ligt niet in de kleur in tegenstelling
met Karel die alles eerst in kleur ziet en dan pas de vormen en
lijnen. Mij treft de vorm allereerst..." Een voorbeeld van
dit nieuwe werk is 'La ville joyeuse' (De vrolijke stad) uit 1949
(zie Cobra 40 jaar later p.119 afb.6). De stad houdt Corneille lange
tijd bezig, ook na de Cobra tijd gaat hij met dit thema door.
EUGÈNE BRANDS
Biografie
De schilder, schrijver en dichter Eugène Brands is geboren
in 1913 te Amsterdam. Na een opleiding in de handel en lessen reclametekenen
aan de Kunstnijverheidsschool besluit hij schilder te worden. Het
schilderen leert hij zichzelf, hij is audidact. Door Appel, Corneille
en Anton Rooskens wordt hij bij de 'Nederlandse Experimentele Groep'
en Cobra betrokken. Hij gebruikt pas na de Cobra tijd kenmerkende
Cobra motieven in zijn werk.
Brands
en de Cobra beweging
In 1946 exposeert Brands op de tentoonstelling `Jonge Schilders'
in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Daar zijn Appel, Corneille
en Rooskens mede-exposanten. Zij zijn erg onder de indruk van zijn
werk en vragen of Brands mee wil doen met de experimentele kunstenaars.
Brands die meer op zichzelf gericht is moet hier over nadenken.
Liever trekt hij zich terug in zijn eigen atelier, in zijn eigen
droomwereld. Uiteindelijk laat hij zich toch overhalen. Hij wordt
ook bij de Cobra groep betrokken. Echter niet al te lang. Twee dagen
na de opening van de grote Cobra tentoonstelling in 1949 in het
Stedelijk Museum, na een rel op een literatuuravond, trekt hij zich
helemaal terug. Hij verbreekt zelfs de contacten met Appel, Constant
en Corneille. Wel heeft hij grote bewondering voor het werk van
Constant. Het is zo anders dan zijn eigen werk.
In de korte tijd dat Brands lid is van de Cobra beweging vervult
hij een belangrijke rol. Hij zorgt voor de totstandkoming van de
grote tentoonstelling in het Stedelijk. Hij onderhoudt het contact
met de toenmalige directeur Willem Sandberg die een toezegging heeft
gedaan om zijn werken te laten zien. Brands stelt echter voor een
gezamenlijke expositie te organiseren met andere kunstenaars die
ook het experiment van groot belang achten. Sandberg stemt hiermee
in. Zo kan een groot overzicht worden getoond van de experimentele
kunstenaars. Op de opening draait Brands een grammofoonplaat met
Afrikaanse negermuziek.
Het
werk in relatie tot Cobra
De schilderijen van Brands die op de grote Cobra tentoonstelling
in het Stedelijk Museum hangen zijn heel anders dan die van de andere
Nederlandse Cobra kunstenaars. Terwijl bij de meeste Cobra kunstwerken
figuren, dieren, planten en dingen te zien zijn, zijn bij die van
Brands voornamelijk kleurvlekken te onderscheiden. Hij vindt dat
vorm en kleur zich vanzelf aandienen. "Ik ben geen zender,
maar een antenne" beweert hij "of meer een wichelroedeloper,
die het penseel niet krampachtig vasthoudt, maar los op zijn hand
legt en over het land loopt in afwachting of hij bij de bron komt.
Op die manier kom je ergens. Dat is mijn bedoeling van het schilderen".
Brands schildert op zijn gevoel en mengt zijn kleuren intuïtief.
Hij experimenteert hierbij net als de andere Cobra kunstenaars met
allerlei materialen zoals olieverf, houtskool, inkt en gevonden
voorwerpen.
Eugène Brands luistert veel naar muziek. Hij houdt van de
vroege jazz, de blues, Afrikaanse tromgeroffel en het rituele gezang
van de pygmeeënvrouwen. Bij deze muziek kan hij lekker wegdromen,
in zijn gedachten zit hij in het oerwoud of reist hij door het universum
naar zijn favoriete sterren Orion en Sirius. Als kleine jongen bestudeerde
Brands het heelal vanuit zijn dakraam. Ooit vond hij een blauw geëmailleerde
pannendeksel, kocht een busje witte rijwiellak en veranderde het
in een melkwegstelsel met sterrennevels. Hij noemde het `Deksel
des hemels'. Zijn gehele leven lang blijft Brands geboeid door het
mysterie van het heelal.
Een
thema nader toegelicht: de kindertekeningen van Eugénie
In 1950, ruime tijd nadat Brands het contact met Cobra heeft verbroken,
begint hij de tekeningen van zijn driejarige dochtertje Eugénie
te verzamelen. Hij dateert deze en verdiept zich volledig in de
wereld van de kindertekening. Een jaar later verandert zijn eigen
werk. Er verschijnen fantasierijke afbeeldingen die overeenkomsten
vertonen met Cobra werken: figuren met grote hoofden, een wandelend
huis, boten en een razende vis. Bezoekers zien het verschil niet
tussen het werk van hem en zijn dochtertje. Brands is hier trots
op. Het is hem dus gelukt om net zo spontaan te werken als kinderen.
Brands blijft het experiment trouw. Hij gebruikt verschillende materialen
zoals olieverf of gouache (plakkaatverf) en werkt op doek, papier,
karton, taartdoos of op behang. Bijna tien jaar lang laat hij zich
door de fantasie van het kind inspireren.
ASGER
JORN
Biografie
De Deense kunstenaar Asger Oluf Jörgensen, geboren in 1914,
is beter bekend als Asger Jorn. Hij overlijdt in 1973. Jorn is veelzijdig:
hij schildert, maakt keramiek en schrijft theorieën over kunst.
Op zijn eenentwinstigste gaat hij al op de motor naar Parijs en
volgt lessen bij de beroemde kunstenaar Fernand Léger. Hij
keert weer terug naar Denemarken om verder te studeren aan de academie
in Kopenhagen, terwijl hij tussendoor naar Parijs blijft gaan. Daar
legt hij contact met Christian Dotremont. In het najaar van 1946
ontmoet hij Constant Nieuwenhuys. Jorn neemt Constant mee naar zijn
hotel in Parijs en vertelt hem over zijn plannen om een internationaal
tijdschrift uit te geven. Twee jaar later worden deze plannen verwezenlijkt
met het Cobra tijdschrift. Jorn is mede-oprichter van Cobra en vormt
de schakel tussen de Denen, Belgen en Nederlanders. Hij blijft op
allerlei terreinen actief en richt na Cobra nog meer groepen en
tijdschriften op.
Jorn
en de Cobra beweging
Jorn is een belangrijke inspirator binnen de Cobra beweging. Hij
reist veel en onderhoudt de internationale contacten. Zijn werk
is te zien op de grote Cobra tentoonstellingen in Amsterdam (1949)
en te Luik (1951).
Net als Constant ontwikkelt Jorn vooruitstrevende theorieën.
Voor hem is kunst een wijze van leven. Zijn ideeën zijn gestoeld
op communistische denkbeelden. Als Jorn door longtuberculose opgenomen
moet worden in een sanatorium in Silkeborg en niet kan schilderen
voert hij veel gesprekken met de Belgische Cobra kunstenaar Dotremont,
die in hetzelfde sanatorium ligt. Hij schrijft in die tijd een boek
over kunst. Jorn schrijft eveneens over tekens en magische symbolen
die gebruikt worden bij erediensten. Een slang met een opgerolde
staart, een motief afkomstig van een gouden hoorn, neemt hij o.a.
in zijn geschriften op (zie Cobra p.98).
Het
werk in relatie tot Cobra
Jorn die de betekenis van de kindertekening al vroeg inziet laat
zijn zevenjarige zoon op een deur in het huis te Bregneröd
schilderen (zie Cobra p.136 en Het kind in Cobra p.14). De expressie
van zijn zoontje inspireert hem in veel van zijn werken. Samen met
Dotremont maakt Jorn een reeks `peintures-mots': woordschilderingen.
Het handschrift als spiegel van de eigen persoonlijkheid boeit Jorn
erg en in die zin ziet hij schrijven en schilderen als één
en dezelfde bezigheid. Tevens maakt Jorn in de Cobra periode enkele
schilderijen met zware vormen en donkere kleuren. Onder de indruk
van het dreigende gevaar dat de koude oorlog (Sovjet-Unie tegenover
West-Europa en de VS) zou kunnen ontaarden in een nucleair conflict
schildert hij een serie oorlogsvisioenen. Met agressieve dieren,
zoals in het schilderij `Het recht van de adelaar', geeft hij zijn
vrees symbolisch weer (zie Cobra p.264 afb.19).
Een
thema nader toegelicht: mythen
Jorn schrijft niet alleen over de wereld van de mythen en sagen,
maar laat deze ook in zijn werk binnendringen. Hij is een echte
mythescheppende kunstenaar. Met diverse kleuren en beweeglijke lijnen
schildert hij nu eens dik, dan weer dun op het doek. Fantasiewezens
doemen als figuren met grote ogen en hoofden uit de verf op. Fabeldieren
schildert hij met enorme bekken, soms met puntige tanden. Muren
blijven niet onbedekt. In de woonkamer van het weekendhuis voor
architectuurstudenten te Bregneröd vult Jorn de muur met zijn
mythische wereld. Fantasiewezens schildert hij ook samen met Erik
Nyholm op een wand in de keuken (zie Cobra p.141 en De taal van
Cobra p.26).
HENRY HEERUP
Biografie
Heerup wordt geboren in 1907 te Kopenhagen en sterft in 1993. Op
school presteert hij niet veel. Via allerlei baantjes leert hij
het vakmanschap van schilder, graficus en beeldhouwer. Heerup tekent
graag en ziet Rembrandt als zijn grote voorbeeld. Op zijn twintigste
wordt hij aangenomen op de academie in Kopenhagen, waar hij schilder-
en beeldhouwlessen krijgt.
Via de Deense groep Høst komt hij in aanraking met Cobra.
Heerup
en de Cobrabeweging
Henry Heerup, een man van zeer eenvoudige afkomst, wordt door veel
Cobrakunstenaars als het voorbeeld van een echte volkskunstenaar
gezien. Hij laat zich niet leiden door de regels op de academie
en trekt zich niets aan van de in de kunstwereld gevormde ideeën.
Uit de Cobra film van Jan Vrijman blijkt zelfs dat hij nog nooit
van Cobra gehoord heeft. Heerup gaat dus volkomen zijn eigen gang,
zodat hij zich helemaal vrij voelt om zich te uiten. Aangezien deze
creatieve vrijheid zo belangrijk wordt geacht door de andere Cobra
kunstenaars wordt zijn werk ruim vertegenwoordigd op de grote Cobra
tentoonstellingen in 1949 te Amsterdam en in 1951 te Luik.
Het
werk in relatie tot Cobra
Op een stuk land buiten Kopenhagen werkt Heerup bijna altijd in
de openlucht. Beeldhouwen doet hij in weer en wind. Overal vandaan
sleept hij stenen naar zijn werkschuur toe (zie Cobra 3 dimensionaal
p.30). Heerup bedenkt van tevoren niet wat hij gaat doen, maar laat
zich inspireren door de steen zelf. Hij zegt hierover: "Er
ligt altijd iets in de steen zelf". Hij probeert vervolgens
de vorm die hij erin verborgen ziet te bevrijden. Zo haalt hij er
al hakkend de `Cobraslang' uit (zie Cobra 3 dimensionaal p.51, afb.
45). Ook bevrijdt hij enkele mytische wezens uit het graniet. Heerup
verzamelt behalve stenen afvalmaterialen. Van veren, flessendoppen,
ijzer en restjes hout maakt hij bijvoorbeeld `Kat met vogel' (zie
De taal van Cobra, afb.88). Hij noemt deze beelden: `skraldemodeller'
(schrootsculpturen).
De schilderijen die Heerup vervaardigt sluiten nauw aan bij de kunst
van primitieve volken en bij kindertekeningen. In deze werken komen
symbolen voor van geboorte, liefde, dood en vruchtbaarheid.
Een
thema nader toegelicht: het verleden
Heerup is enig kind en zeer geliefd bij zijn moeder. Al zijn werken
kunnen gezien worden als een lofzang op haar. De vrouw speelt dan
ook een grote rol in zijn werk. Heerup beeldt zijn vrouwen veelal
sterk vereenvoudigd uit waardoor zij doen denken aan vervlogen tijden,
bijvoorbeeld aan vruchtbaarheidsbeeldjes uit de prehistorie. Dat
Heerup geïnteresseerd is in het verleden van zijn eigen land
blijkt uit het feit dat hij al in 1935 naar Jutland reist. In het
dorp Jellinge treft hij de zogenaamde `Jellingestenen' aan. Hij
heeft over deze runenstenen, die over de ontstaansgeschiedenis van
zijn vaderland verhalen gehoord, maar wil deze met eigen ogen aanschouwen.
Hij ziet dat de oude stenen prachtig versierd zijn (zie De taal
van Cobra, afb.i p.35). Heerup is hier zo verrukt over dat hij zich
zowel in zijn schilderijen als bij zijn beelden door deze motieven
laat beïnvloeden.
PIERRE ALECHINSKY
Biografie
Pierre Alechinsky wordt in 1927 in Brussel geboren. In dezelfde
stad studeert hij van 1944 tot 1948 aan de École nationale
supérieure d'architecture et des arts décoratifs.
Hij legt zich toe op boekillustratie, typografie en verschillende
grafische technieken. 1948 brengt hij grotendeels in Parijs door.
Het jaar daarop ontmoet hij Dotremont. Samen met hem is Alechinksky
de spil van de Belgische tak van Cobra. Hij is mede-organisator
van de 'ateliers du Marais', het 'Cobra huis' voor veel Cobra kunstenaars
in Brussel. Net als Dotremont reist hij naar het buitenland om contact
te leggen met andere Cobra kunstenaars. Na het uiteenvallen van
de beweging, in de winter van 1951, vestigt hij zich in Parijs.
Alechinsky
en de Cobra beweging
Alechinsky exposeert zijn werk op de grote Cobra tentoonstelling
in 1949 in Amsterdam. De expositie in Luik (1951) wordt door hem
georganiseerd omdat Dotremont ziek is. Alechinsky stort zich met
zoveel enthousiasme op de organisatie van de Cobra beweging en haar
tijdschrift dat hij er nauwelijks aan toekomt om zijn eigen kunstwerken
te maken. Een groot deel van zijn tijd gaat ook op aan werkzaamheden
zoals timmeren en metselen om het 'Cobra huis' aan de Rue du Marais
van ateliers en woonruimtes te voorzien.
Het werk in relatie tot de Cobra
Alechinsky is een bewonderaar van volkskunst. Hij vindt de volksachtige
houtsneden van de kunstenaar Edgar Tijtgat heel mooi. Tijdens zijn
opleiding verdiept hij zich in houtsneden uit oude boekillustraties
die naar zijn mening ook een uiting van volkskunst zijn. Hij gebruikt
deze als inspiratiebron voor een aantal illustraties. Een paar hiervan,
een serie etsen, zijn op de grote Cobra tentoonstelling in Amsterdam
te zien. Ook het schilderij `Les mariés (het bruidspaar)
dat op de volkskunst is geënt hangt op de tentoonstelling (zie
Cobra p.225).
Alechinsky wordt behalve door de volkskunst diep getroffen door
de wereld van de Deense en Nederlandse experimentelen, met name
het werk van Asger Jorn spreekt hem aan. Hij laat onder invloed
van de experimentelen steeds meer fantasiewezens in zijn werk ontspruiten.
Terwijl Alechinsky zich in zijn grafiek, tekeningen en gouaches
op een hele vrije manier kan uiten lukt het hem in zijn olieverfschilderijen
op doek daarentegen pas na de Cobra tijd spontaan te werken. In
1965 verruilt hij de olieverf voor acryl dat veel sneller droogt.
Nu kan hij nog directer lijnen, cirkels, tekens, fabeldieren en
teksten ineen laten vloeien. Hij gebruikt geen linnen meer, maar
papier als ondergrond. Over zijn ontdekking van de acrylverf vertelt
Alechinsky: "Omdat ik nu eindelijk kon schilderen zoals ik
tekende, altijd al was ik in mijn tekeningen voorop geweest op mijn
doeken. Nu eindelijk kon ik het schilderen in de banen van de tekenkunst
leiden, en ik kon ook schilderen op bladen papier die losjes op
de vloer lagen, ik was verlost van die angstkoorts die me bij de
keel nam telkens ik een opgespannen doek tegemoet trad zoals het
daar gepropt stond op een schildersezel, die schildersezel die zo
gelijkt op een guillotine
". (lees Alechinsky p.37)
Het samenwerken met een andere kunstenaar, waar hij in de Cobra
jaren maar weinig toe komt, krijgt ook na die periode meer zijn
belangstelling. Met zijn Chinese vriend Walasse Ting maakt hij vierhandige
schilderijen: `peintures à quatre mains'. Met Dotremont realiseert
hij enkele `peintures-mots': woordschilderingen, waarbij Dotremont
een geheel eigen onleesbaar schrift creëert en Alechinsky stripachtige
tekeningen maakt (zie De taal van Cobra afb.189 t/m 191).
Een thema nader toegelicht: het schrift
Alechinsky is linkshandig. Op school wordt hij gedwongen ook met
zijn rechterhand te schrijven. Hij vindt dit wel een uitdaging en
probeert van alles uit. Hij begint van links naar rechts met zijn
rechterhand te schrijven en in omgekeerde richting met zijn andere
hand. Zo ontwikkelt hij een schrift met beide handen tegelijk (simultaanschrift).
De interesse voor het schrift wordt ook gevoed door zijn moeder
die grafologe is.
Dotremont, die net zoveel lol als Alechinksky heeft met experimenten
met zijn eigen handschrift, brengt hem op het spoor van de oosterse
kalligrafie. In 1955 onderneemt Alechinsky een reis naar Japan en
bestudeert de Japanse kalligrafie. Daarin vindt hij waar hij naar
op zoek is: een `innerlijk schrift', ontstaan vanuit grote vrijheid
en uiterste geconcentreerdheid. In Japan bestudeert hij niet alleen
het werk van een aantal bekende Japanse kalligrafen, maar ook hun
werkwijze. Hij maakt een documentaire film, waarbij hij de totaal
andere manier van werken laat zien. Bij de Japanners ligt het papier
niet op een tafel zoals bij ons gebruikelijk is, maar op de grond.
De kunstenaars kunnen zich daardoor makkelijk over het papier heen
buigen en geheel vrij bewegen. Alechinsky maakt zich deze werkwijze
eigen en ontdekt wat een verschil dat is. Hij laat zich ook inwijden
in het gebruik van allerlei soorten inkten en penselen.
LITERATUURLIJST
Cobra
algemeen
Willemijn Stokvis, Ed Wingen, e.a. De taal van Cobra, museumcollectie
Van Stuijvenberg Cobramuseum voor Moderne kunst Amstelveen Purmerend,
1995
NB: in de tekst aangegeven met 'De taal van Cobra'
Willemijn
Stokvis Cobra 3 dimensionaal Wormerveer, 1998
Willemijn
Stokvis Cobra Geschiedenis, voorspel en betekenis van een beweging
in de kunst van na de tweede wereldoorlog Amsterdam, 1980
NB: in de tekst aangegeven met 'Cobra'
Chris
van der Heijden, e.a Cobra 40 jaar later collectie J. Karel P. van
Stuijvenberg Den Haag, 1988
NB: in de tekst aangegeven met 'Cobra 40'
Ed
Wingen Het kind in Cobra Amstelveen, 2000
Heleen
Naterop Educatieve krant over de geschiedenis van Cobra Benningbroek,
1998
NB: in de tekst aangegeven met 'de Cobra krant'
Stichting
Plint Dadatijdschrift voor kinderen van 6 tot 106 jaar: Cobrabeweging
Eindhoven nr.13, jrg 3, 1998
Karel
Appel
Cathérine van Houts Karel Appel. De biografie Amsterdam,
2000
Corneille
Erik Slagter Corneille Amstelveen, 1997
Eugène
Brands
Ed Wingen Eugène Brands collages en assemblages Amsterdam,
1997
Pierre
Alechinsky
Freddy de Vree Alechinsky Antwerpen, 1976
NB: in de tekst aangegeven met 'Alechinsky'
Videobanden:
Jan Vrijman: Cobra, een opstand tegen de orde
Jan Vrijman: De werkelijkheid van Karel Appel
|