leerzaam
 

INHOUDSOPGAVE:

INLEIDING
COBRA IN HET ALGEMEEN
KAREL APPEL
CONSTANT
CORNEILLE
EUGÈNE BRANDS
ASGER JORN
HENRY HEERUP
PIERRE ALECHINSKY
LITERATUURLIJST


INLEIDING

De Cobra beweging en haar belangrijkste vertegenwoordigers
Aan de hand van de volgende pagina's kun je als leerling van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs kennis maken met de Cobra beweging. Na een overzicht over Cobra in het algemeen vind je een tekst over een Cobra kunstenaar.

INFORMATIE OVER DE COBRA KUNSTENAAR
De informatie over de Cobra kunstenaar is als volgt opgezet:
- een biografie: een korte levensbeschrijving vóór, tijdens en vlak na de Cobra periode
- de betekenis van de kunstenaar voor de Cobra beweging
- het werk van de kunstenaar in relatie tot Cobra
- een thema nader toegelicht

Literatuur en film van Jan Vrijman
Zowel bij de inhoudsopgave als bij de tekst over de Cobra kunstenaar tref je verwijzingen naar literatuur aan. In het Cobra Museum is een leestafel ingericht waar een aantal van deze boeken ter inzage liggen. De meeste boeken zijn aanwezig in de bibliotheek of verkrijgbaar in de boekhandel van het museum.
Als je het leuk vindt de film van Jan Vrijman 'Cobra, een opstand tegen de orde' te bekijken kun je een afspraak maken met het Cobra Museum: 020-5475050.

Juliette Verhofstad, museumdocent


COBRA IN HET ALGEMEEN

Cobra, een gevaarlijke slang of iets anders?
Een cobra is wel degelijk een gevaarlijke giftige slang. Maar het woord Cobra staat ook voor de afkorting van de Franse namen van de steden: Copenhague, Bruxelles en Amsterdam. Uit deze drie steden komen de kunstenaars vandaan die op 8 november 1948, tijdens een groot internationaal kunstenaarscongres in Parijs, de Cobra groep oprichten. Een opgerolde slang wordt het symbool van de beweging.
In het Parijse café Notre Dame ondertekenen Asger Jorn (uit Kopenhagen), Joseph Noiret en Christian Dotremont (uit Brussel) en Constant, Corneille en Karel Appel (uit Amsterdam) het manifest: 'La Cause était entendue' (De zaak was beklonken). Dit manifest, opgesteld door Dotremont, is een reactie op een verklaring van de Franse surrealisten die 'La Cause est entendue' (De zaak is beklonken) heet. Dotremont maakt in zijn betoog duidelijk dat zij het niet meer eens zijn met deze Franse kunstenaars. De Cobra kunstenaars willen een nieuwe weg inslaan: zij willen zonder vooropgezet plan en met veel fantasie werken. In september 1951 wordt de Cobra beweging officieel weer opgeheven. Cobra is in haar korte bestaan een belangrijke periode van ontmoetingen, uitwisselingen en onderlinge beïnvloeding.

Wie zijn de Cobra kunstenaars?
De kern van de Cobra groep bestaat uit de kunstenaars die het manifest hebben ondertekend. Al gauw sluiten zich vele kunstenaars bij deze kern aan. Uiteindelijk zijn meer dan veertig kunstenaars lid of zijdelings betrokken bij Cobra. Niet alleen schilders, maar ook beeldhouwers, dichters, fotografen en filmers voelen zich aangetrokken tot de ideeën van Cobra. Hier volgt een lijst van de meest voorkomende namen in alfabetische volgorde:
uit Denemarken: Mogens Balle, Ejler Bille, Henry Heerup, Egill Jacobsen, Carl-Henning Pedersen.
uit België: Pierre Alechinsky, Hugo Claus, Reinhoud d'Haese.
uit Nederland: Eugène Brands, Lucebert, Anton Rooskens, Theo Wolvecamp.
Ook kunstenaars uit andere landen dan de oorspronkelijke drie doen mee:
Jean Michel Atlan (Algerijë), Jacques Doucet (Frankrijk), William Gear en Stephen Gilbert (Schotland), Karl Otto Götz (Duitsland), Shinkichi Tajiri (Amerika).

Wat is de Cobra taal ?
Hoewel iedere kunstenaar zijn eigen stijl ontwikkelt is er sprake van een herkenbare Cobra stijl, de zogenaamde Cobra taal. Niet iedereen hanteert de Cobra stijl gedurende de periode van 1948 tot en met 1951, soms komt deze pas na die tijd tot stand. De taal bestaat uit een bepaalde manier van schilderen, een bepaald kleurgebruik en uit een aantal kenmerkende onderwerpen.

De manier van schilderen
De Cobra kunstenaars schilderen vrijwel altijd direct en spontaan. Net als kinderen willen zij zonder vooropgezet plan en met veel fantasie werken. Zij zetten zich af tegen de regels van de kunstacademie. Zij vinden het bijvoorbeeld niet belangrijk om de regels van het perspectief toe te passen. Cobra kunstenaars streven naar een ongedwongen kunst en proberen met allerlei materialen te werken. Het experiment staat voorop. De Cobra kunstenaars presenteren zich als 'experimentelen'. De Deense Cobra kunstenaars zijn al ruim voor de oorlog aan het experimenteren. Asger Jorn moedigt Constant Nieuwenhuys aan hetzelfde in Nederland te doen. Op 16 juli 1948 richt Constant samen met o.a. Karel Appel en Corneille de 'Nederlandse Experimentele Groep' op, die op 8 november 1948 overgaat in de Cobra groep.

Het kleurgebruik
Cobra kunstenaars maken kleurrijke werken. Zij brengen hun verf vaak onvermengd op het doek aan.

Kenmerkende onderwerpen
Het dier zoals een vogel, kat, hond, slang is een favoriet onderwerp bij de Cobra kunstenaars. Fantasiebeesten en fantasiewezens zijn ook zeer geliefd. Sommige wezens bestaan uit een combinatie van dieren en mensen. Het masker spreekt eveneens tot de verbeelding. Cobra kunstenaars laten zich bij het maken van hun afbeeldingen inspireren door mythen, kindertekeningen, volkskunst, de prehistorie, oosterse kalligrafie, primitieve kunst (niet-westerse kunst uit o.a. Afrika en Oceanië) en kunst van geesteszieken. Corneille heeft hierover gezegd: "Wij gebruikten alles, hielden van alles. Van kindertekeningen, folklore, tekeningen van krankzinnigen, negermaskers". Vooral de Deense Cobra kunstenaars hebben belangstelling voor mythen. Sommigen menen in hun werk zelfs nieuwe mythen te scheppen. Om die reden worden zij ook wel mythescheppende kunstenaars genoemd. In Nederland wordt de kindertekening veel als directe bron gebruikt. In België, waar de interesse voor het schrift groot is, bestuderen een aantal Cobra kunstenaars de oosterse kalligrafie. Dotremont en Alechinsky zijn geboeid door het persoonlijk handschrift; zij zien dit als de meest intieme en directe uiting van de psyche van de mens.

Wat zijn de Cobra theorieën ?
Een paar kunstenaars houden zich niet alleen bezig met het maken van kunstwerken, maar ook met theorieën over kunst en de rol van de kunstenaar in de maatschappij. Asger Jorn, Christian Dotremont en Constant Nieuwenhuys zijn hier in de eerste plaats mee bezig. Zij gaan uit van de communistische leer van Marx, maar vullen diens ideeën aan met gedachtegangen over kunst. Hun streven is een kunst vóór en vooral ook dóór iedereen, ongeacht klasse, nationaliteit, kennis- en opleidingsnivo. Jorn, Dotremont en Constant zoeken een kunst die spontaan voortkomt uit de fantasie.
Jorn schrijft ook over de relatie tussen beeldende kunst en architectuur. Hij vindt dat deze onlosmakelijk verbonden zijn. Met een foto van een primitieve hut die door zijn bewoners versierd is laat hij zien hoe mooi deze combinatie is. In een aantal samenwerkingsprojecten van de Cobra kunstenaars worden Jorns idealen verwezenlijkt.

Samenwerken op één doek, één papier, één muur, kan dat?
Ja, samenwerken aan één kunstwerk is een speciale bezigheid binnen de Cobra groep. De kunstenaars werken samen op één doek, één stuk papier of op één muur. Soms laten de volwassenen hun kinderen meedoen. Zo maakt Anton Rooskens met zijn zevenjarig dochtertje Marcelle een prentenboek waarin hij de versjes van zijn kind aanvult met kleurrijke voorstellingen.

Peinture-mots: woordschilderingen
Dichters en schilders creëren eveneens gezamenlijke werken. Schrift en beeld combineren zij op een vrije manier. Deze werken worden 'peinture-mots': woordschilderingen, genoemd.

TWEE BELANGRIJKE SAMENWERKINGSPROJECTEN IN DENEMARKEN:
'het congres te Bregneröd' en de boerderij van Erik Nyholm
In de zomer van 1949 komen gedurende een maand Cobra leden en vrienden, sommigen met hun vrouwen en kinderen, samen in een weekendhuis voor Deense architectuurstudenten te Bregneröd, vlakbij Kopenhagen. De Denen zijn in de meerderheid, enkele kunstenaars komen uit Frankrijk, Engeland en Zweden, Dotremont is de enige Belg, de Nederlanders zijn echter niet aanwezig. Het huis is aan Jorn ter beschikking gesteld tegen de belofte het van binnen te decoreren. Als één grote familie woont en werkt iedereen, zelfs de kinderen, samen. Er worden schilderijen, gedichten, en sculpturen gemaakt. De muren van het huis en vele daar aanwezige voorwerpen moeten het zelfs ontgelden. Het ideaal van Cobra wordt tijdens dit evenement, het 'congres te Bregneröd', verwezenlijkt. Een kleine, vrije maatschappij uit zich zonder speciale eisen, zonder vooropgezette normen. Tegelijk worden de ideeën van Jorn over de combinatie van beeldende kunst en architectuur in praktijk gebracht. Helaas is de beschildering van het huis met uitzondering van een gedeelte van het plafond verloren gegaan, korte tijd later wordt het namelijk overgeschilderd. Wel zijn enkele foto's bewaard gebleven (zie De taal van Cobra p.24, 25 en Cobra p.136, 137).

In de boerderij van Erik Nyholm, een forellenkweker en keramist, worden eind november 1949 de Nederlandse kunstenaars Appel, Constant en Corneille ontvangen. Binnen een zeer korte tijd worden ook hier deuren, wanden, het plafond en enkele voorwerpen bedekt met fantasiewezens. Het is een levendig geheel. De drie Nederlanders schrijven hun naam met de datum boven een deur. Corneille schrijft boven de ingang van het huis nog een tekst: 'Entrez, ici c'est vivre'. Na hun vertrek komt Jorn op bezoek en beschildert samen met Nyholm een overgebleven wand in de keuken. Gelukkig heeft Jorn alles op foto vastgelegd, want ook deze schilderingen zijn, op het plafond van Constant na, verdwenen (zie De taal van Cobra p. 26 t/m 31 en Cobra p. 141).

Het Cobra tijdschrift
Het tijdschrift van de Cobra beweging krijgt dezelfde naam als de groep: 'Cobra'. Het is het beste middel om de internatiomale samenwerking te realiseren. Christian Dotremont is behalve secretaris van de groep ook hoofdredacteur van het blad. De teksten worden voornamelijk in het Frans geschreven. Zowel artikelen als afbeeldingen van kunstwerken, verhalen en gedichten verschijnen in het tijdschrift. Nummer vier is een speciale editie; het wordt als catalogus voor de eerste grote internationale tentoonstelling in 1949 in het Stedelijk Museum te Amsterdam gebruikt. Op de kaft steekt een flinke tong uit een wijdgeopende mond: de kunstenaars hebben genoeg van de burgelijke maatschappij! (zie Cobra p.91; de Cobra krant en Cobra 40 p.8)

TWEE GROTE COBRA TENTOONSTELLINGEN: 1949 IN AMSTERDAM EN 1951 TE LUIK
In de korte tijd van haar bestaan vinden twee grote Cobra tentoonstellingen plaats: één in 1949 in Amsterdam en één in 1951 te Luik.
In Amsterdam stelt de voormalige directeur van het Stedelijk Museum, Willem Sandberg, zeven zalen ter beschikking aan de kunstenaars uit tien verschillende landen (zie affiche Cobra 40 p.33). Sandberg is een zeer vooruitstrevende man en hij wil graag werk van nieuwe kunstenaars laten zien. De meeste schilderijen zijn vrij klein van formaat omdat de kunstenaars niet veel geld hebben. Sandberg besluit daarom een voorschot te geven om materiaal te kopen. In de week van de voorbereiding maken Appel, Constant, Corneille en Brands nog even een paar grote doeken. Appel vervaardigt er zelfs twee, terwijl Corneille in plaats van een plat doek een kubus maakt.
De architect Aldo van Eyck die zeer enthousiast is over de vrije werkwijze van de Nederlandse Cobra kunstenaars, mag de expositie inrichten. Hij doet dit op een hele speciale manier. Van Eyck hangt de doeken op verschillende hoogtes op, soms op wel drie meter van de grond. Enkele werken zet hij tegen de plint van de vloer. Voor de Nederlandse dichters maakt hij een grote kooi van zwarte latten en plaatst deze tegen een muur in een kleine, zwart beschilderde zaal. Tussen de latten worden woordschilderingen, dichtbundels en losse kreten opgehangen. Gedichten die niet mooi gevonden worden zijn tegen de wand geplakt en van een groot kruis voorzien. Deze gedichten willen de Nederlandse experimentele dichters afschaffen (zie Cobra p.116 t/m 119). Op de tentoonstelling hoort de bezoeker tromgeroffel uit Afrika op de achtergrond.
In de kranten wordt fel gereageerd op deze tentoonstelling. In Het vrije Volk (12.11.1949) spreekt de criticus over Geklad, Geklets en Geklodder in het Stedelijk Museum. Appel, Constant en Corneille e.a. worden gezien als knoeiers, kladders en verlakkers.

De expositie in Luik is nog groter van omvang, maar tevens de laatste manifestatie van Cobra (zie affiche Cobra 40 p.48 en de Cobra krant). Veel leden zijn het niet meer met elkaar eens. Daarna slaat iedereen zijn eigen weg in.


KAREL APPEL

Biografie
Karel Appel is een veelzijdige kunstenaar: hij is zowel schilder, beeldhouwer als dichter.
Hij wordt in 1921 geboren in de Dapperstraat te Amsterdam. In dezelfde stad volgt hij van 1940 tot 1943 zijn opleiding aan de Rijksacademie. Hier ontmoet hij Corneille met wie hij naar Parijs gaat. Bij terugkeer leert hij Constant kennen. Gedrieën richten zij met Anton Rooskens, Theo Wolvecamp en Jan Nieuwenhuys de `Nederlandse Experimentele Groep' op, die later overgaat in Cobra. In 1950 vestigt Appel zich voor langere tijd in Parijs. Later in zijn loopbaan verhuist hij naar New York.

Appel en de Cobrabeweging
Appel is een van de mede-oprichters van de Cobra beweging. Op 8 november 1948 ondertekent hij in café Notre Dame het manifest 'La Cause était entendue' (De zaak was beklonken). Een jaar later doet Appel mee aan de grote Cobra tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij maakt speciaal hiervoor twee doeken op groot formaat, waarvan hij één 'Mens en dieren' noemt (zie Cobra p.113 en Het kind in Cobra p.18). Mens- en diermotieven zijn kenmerkend voor de Cobra beweging. Cobra kunstenaars vinden het echter niet belangrijk om deze exact na te bootsen. Zij laten de motieven uit hun fantasie ontspruiten. Appel slaagt hier zeer goed in.

Appels werk in relatie tot Cobra
Appel is geen theoreticus zoals Dotremont, Jorn en Constant. Hij is een doener. Al vóór, maar ook tijdens de Cobra periode experimenteert Appel veel. Hij verzamelt allerlei afvalmaterialen. Met stukken hout, rubber, kurk en ijzer maakt hij assemblages (reliëfs) zoals 'Drift op zolder' (zie De taal van Cobra afb. 16). Zelfs het luik van zijn zolderraam gebruikt hij voor dit werk.
Appel kijkt niet alleen wat hij kan doen met gevonden voorwerpen, maar experimenteert ook met diverse materialen zoals olieverf, gouache (plakkaatverf), aquarel (waterverf) en keimverf (een speciaal soort muurverf). Hij houdt van felle kleuren en maakt de vormen zo eenvoudig mogelijk: in een paar lijnen en vlakken zet hij een figuur, dier of plant neer. Zijn werken zien er vaak kinderlijk uit, zodat Appels stijl ook wel aangeduid wordt als `de volwassen kinderlijke stijl'.
Karel Appel werkt niet alleen in zijn eentje, maar ook samen met andere schilders of dichters. Zo tovert hij met de schilder Constant enorme angstaanjagende dieren en figuren tevoorschijn op de wanden in het huis van Constant. Met Constant en Corneille beschildert hij eveneens het interieur van de boerderij van Erik Nyholm. Niet alleen de wanden, maar ook het plafond en de deuren moeten het ontgelden. Appel maakt tevens tekeningen bij gedichten van Hugo Claus: 'De blijde en onvoorziene week' (zie De taal van Cobra afb. 177) en bij teksten van Hans Andreus: 'De ronde kant van de aarde' (zie de taal van Cobra afb.178).
Na de Cobra tijd smeert Appel de verf steeds dikker op het doek. Hij zet lijnen en vlakken in heftige bewegingen neer. Zijn beroemde uitspraak: "Ik rotzooi maar een beetje an. Ik leg het er tegenwoordig flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en blote handen tegenaan, ik gooi d'r soms hele potten tegelijk op" is typerend voor zijn dynamische werkwijze.

Een thema nader toegelicht: vragende kinderen
Karel Appels befaamde muurschildering 'Vragende kinderen' uit 1949 in de kantine van het stadhuis te Amsterdam wordt de 'twistappel' genoemd (zie De taal van Cobra p.118,119; Het kind in Cobra p.6, 9, 10 en de Cobra krant). De ambtenaren vinden het maar niks om naar een muur te kijken met kinderen die slechts uit een paar gekleurde vlakken bestaan. Met stippen zijn de ogen aangegeven en een van de armen is een rechte lijn met drie streepjes om de vingers aan te duiden. In de krant wordt met deze kinderen gespot: "Zij kunnen niet zitten, zij hebben geen billetjes". Ook wordt geschreven dat zij meer op een verzameling kilometerpaaltjes lijken. De gemeente besluit uiteindelijk het werk achter behang te verbergen. Na tien jaar mag de muurschildering weer tevoorschijn gehaald worden.
Wanneer Appel na de Tweede Wereldoorlog door Duitsland reist ziet hij hongerige kinderen op het perron bedelen. Dit raakt hem zeer. Hij maakt allerlei variaties op dit thema.
Een `Vragend kind' uit 1950 creëert hij met olieverf (zie De taal van Cobra afb.19 en Het kind in Cobra p.26). Dit uit enkele lijnen en kleurvlakken opgezette werk schenkt Appel aan Willem Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum (zie Cobra 40 p.27). Lange tijd is het te zien op diens werkkamer. Sandberg is heel belangrijk voor de Cobra kunstenaars. Hij toont hun werk in zijn museum en speelt soms een bemiddelende rol bij speciale opdrachten. Appel mag bijvoorbeeld een kleine ruimte in het Stedelijk beschilderen (zie Het kind in Cobra p.18). In deze zogenaamde Appelbar komt het vragend kind motief weer terug, evenals op enkele houten reliëfs (zie Cobra p.323 afb.121; Cobra 3 dimensionaal p.115, afb.99 en Het kind in Cobra p.25).


CONSTANT

Biografie
Constant Anton Nieuwenhuys, geboren in 1920 in Amsterdam, is zowel schilder als beeldhouwer. Van 1939 tot 1942 gaat hij naar de Kunstnijverheidsschool en de Rijksacademie in Amsterdam. Appel en Corneille zitten dan nog niet op de Rijksacademie, zodat Constant geen contact met hen heeft. Wel ontmoet hij Asger Jorn al in 1946 in Parijs. In hem vindt hij een gelijkgestemde. Zij schilderen allebei en houden zich bezig met theorieën over kunst en de maatschappij. Als Constant kennis maakt met Appel en Corneille richten zij samen met een aantal andere kunstenaars de `Nederlandse Experimentele Groep' op, die niet lang daarna overgaat in de Cobra groep. In 1950 vestigt Constant zich in Parijs, maar keert al snel terug naar Amsterdam.

Constant en de Cobra beweging
Constant is een van de mede-oprichters van Cobra. Hij is voor de Nederlandse Cobra kunstenaars de voornaamste contactpersoon met het buitenland. Hij schrijft veel manifesten en artikelen, waarbij hij de maatschappelijke rol van de kunstenaar bekijkt en oproept tot de bevrijding van creativiteit en fantasie. Hij wil een nieuwe maatschappij met een nieuwe kunst. In zijn voor de `Nederlandse Experimentele Groep' opgestelde manifest, dat tijdens de Cobra periode nog steeds van groot belang is, schrijft hij: "Het kind kent geen andere wet dan zijn spontaan levensgevoel en heeft geen andere behoefte dan dit te uiten. Hetzelfde geldt voor de primitieve culturen, en het is deze eigenschap ook, die deze culturen een zo grote bekoring verleent voor de mens van heden die in een morbide sfeer van onechtheid, leugen en onvruchtbaarheid moet leven". In dit manifest staat ook zijn inmiddels bekend geworden uitspraak: "Een schilderij is niet een bouwsel van kleuren en lijnen, maar een dier, een nacht, een schreeuw, een mens, of dat alles samen" (lees De taal van Cobra p.268, 269 en Het kind in Cobra p.8 en 13).

Het werk in relatie tot Cobra
Al voor de oprichting van Cobra ontmoet Constant de Deen Asger Jorn. Dit contact is van groot belang voor hem. Onder invloed van Jorn maakt Constant fantasierijke dieren en figuren in zijn schilderijen. Ook in zijn tekeningen komen deze wezens voor. Hij raakt bovendien steeds meer geboeid door de kindertekening. In grove lijnen en vormen zet hij zijn kinderlijk uitziende afbeeldingen op doek neer. In samenwerkingsverband komt het kind in hem ondermeer tot uiting in `Goede morgen Haan' gemaakt met de dichter Gerrit Kouwenaar (zie De taal van Cobra afb. 171) en in `Some of these days' (Een dezer dagen) (zie De taal van Cobra afb. 173). Ook in zijn huis schildert Constant samen met Appel reusachtige dieren en figuren op de muren die aan kindertekeningen doen denken (zie Cobra p.138). In de boerderij van Erik Nyholm brengt hij levendige schilderingen aan (zie Cobra p.139 t/m 141; De taal van Cobra p.26, 28, 29, 31 en Het kind in Cobra p.14). Zijn zoontje Victor laat hij meewerken aan een cementen muurreliëf in de tuin van Jorns broer (zie Cobra p.138 en Het kind in Cobra p.14).

Een thema nader toegelicht: de oorlog
In de loop van 1950, als Constant in Parijs verblijft, verwerkt hij steeds meer de verschrikkingen van de oorlog. Elementen uit de realiteit zoals een brandend huis, een gevallen fietser, hulpeloze gewonden en doden worden door hem geschilderd. Wielen en ladders, vaak kapot of verwrongen, gebruikt hij als symbool voor destructie. Zelfs de wanden van zijn kamer worden beheerst door deze wereld van verschrikkingen. Ook vlak na de Cobra tijd werkt dit thema door. Zijn composities zijn echter eenvoudiger: slechts een vuist, een vlam of een andere krachtige vorm geven nu het idee van opstand en agressie weer (zie De taal van Cobra afb.52).


CORNEILLE

Biografie

Corneille Guillaume Beverloo is op 3 juli geboren te Luik in het Frans sprekende deel van België. Zijn ouders zijn Nederlanders. Hij studeert aan de Kunstnijverheidsschool en volgt een cursus tekenen en etsen aan de Rijksacademie in Amsterdam. Hij sluit vriendschap met Karel Appel, die op dat moment ook op de academie zit. Als schilder is Corneille autodidact. Behalve schilderijen maakt hij gedichten, grafiek, keramiek, foto's en designontwerpen. Heb jij zijn beschilderde tram, pennen, broches en scheerapparaat wel eens gezien?
Corneille is zeer reislustig: in 1947 gaat hij naar Hongarije, een jaar later reist hij voor het eerst naar Noord-Afrika, hij bezoekt Denemarken en Zweden en maakt nog veel meer uitstapjes naar het buitenland: o.a. Brazilië, Cuba, China en Japan.
In 1948 richt Corneille samen met Constant, Appel, Rooskens en Wolvecamp de `Nederlandse Experimentele Groep' op, in hetzelfde jaar volgt de oprichting van Cobra. In 1950 vestigt hij zich in Parijs, waar hij nog steeds woont.

Corneille en de Cobrabeweging
Corneille is betrokken bij alle belangrijke Cobra gebeurtenissen; bij de oprichting van Cobra en bij de tentoonstellingen over Cobra. Zijn gedichten verschijnen o.a. in het Cobra tijdschrift. Hij is de redacteur van het vierde nummer van Cobra dat als catalogus wordt gebruikt bij de grote Cobra tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 1949.

Het werk in relatie tot Cobra
De periode vlak voor het ontstaan van Cobra en de Cobra jaren zijn voor Corneille een voorbereidingstijd voor zijn latere werk. De Cobraperiode is vooral een tijd van experimenteren. Hij past een grote variëteit aan motieven en verschillende teken- en schilderwijzen toe. Ook gaat hij steeds intuïtiever te werk. Over deze intuitieve, spontane manier van werken zegt Corneille: " Wij hebben nooit met een vooropgezet idee gewerkt zoals dat in de 19e eeuw ging. De schilder had een schilderij in zijn hoofd, ging naar zijn atelier en maakte dat wat hij tevoren bedacht had. Bij ons stond voorop dat het spontaan moest gebeuren. Wij hebben verf, wij hebben linnen, een paar kwasten en dan beginnen we. Verder willen we nergens aan denken. Dat schilderij heeft ook zijn rechten, ik zou zelfs nog verder willen gaan: het schilderij wordt gemaakt maar heeft een eigen stem en maakt ons dus ook..." In zijn kunstwerken wisselt Corneille strakke, rechte lijnen af met ronde en vrije strepen. Tussen deze labyrintachtige constructies plaatst hij vrolijke figuren, vogels en andere dieren. Ook voegt hij op een speelse manier poëtische teksten toe.
Soms werkt Corneille samen met andere kunstenaars. Met drie Skandinavische collega's maakt hij een collectieve litho (steendruk) getiteld: 'Some of these days' (Een dezer dagen) (zie Cobra p.142 en De taal van Cobra afb.173). In een brief beschrijft hij dit samenspel als "een waarlijk Indianenfeest rond een steen". Ook is Corneille bij de beschildering van de boerderij van Erik Nyholm aanwezig (zie Cobra p.139, 140 en De taal van Cobra p.26, 30, 31). Boven de ingang van het huis schrijft hij `Entrez, ici c'est vivre'.
Met Dotremont vervaardigt hij een serie improvisaties (zie De taal van Cobra afb.172) en bij de gedichten van Hugo Claus creëert hij illustraties (zie De taal van Cobra afb.175, 176 en 177).

Een thema nader toegelicht: de stad
Begin 1947 ontmoet Corneille toevallig een Hongaarse vrouw op straat, terwijl hij een handkar met schilderijen vervoert. Zij bekijkt zijn werk en is er zo enthousiast over dat zij hem een reis naar Hongarijë aanbiedt. Corneille brengt ongeveer vier maanden in de hoofdstad Boedapest door. De sfeer en de verwoestingen die in deze stad door de oorlog zijn aangericht maken een diepe indruk op hem. Het oudste gedeelte van de stad Buda is een chaos. Vooral de verwaarloosde tuinen van het koninklijk paleis bieden een fantastisch schouwspel. Hierover vertelt Corneille: "De tuinen lagen daar blauwig grijs in de warme middagzon. Alles trilde, vibreerde, gonsde, zong en bewoog. De vogels, de vlinders, vliegen, bijen, alles vloog, dwarrelde, buitelde en danste een wilde dans..." Corneille wordt verrast door de overweldigende natuur en de ruïnes. In de natuur ontdekt hij een spel van ronde, kolkachtige lijnen en gebogen vlakken, terwijl hij in de ruïnes strenge en strakke lijnen ziet. Enthousiast over deze ontdekking gaat hij aan de slag. Over zijn nieuwe werken zegt hij: "Mijn kracht ligt niet in de kleur in tegenstelling met Karel die alles eerst in kleur ziet en dan pas de vormen en lijnen. Mij treft de vorm allereerst..." Een voorbeeld van dit nieuwe werk is 'La ville joyeuse' (De vrolijke stad) uit 1949 (zie Cobra 40 jaar later p.119 afb.6). De stad houdt Corneille lange tijd bezig, ook na de Cobra tijd gaat hij met dit thema door.


EUGÈNE BRANDS

Biografie
De schilder, schrijver en dichter Eugène Brands is geboren in 1913 te Amsterdam. Na een opleiding in de handel en lessen reclametekenen aan de Kunstnijverheidsschool besluit hij schilder te worden. Het schilderen leert hij zichzelf, hij is audidact. Door Appel, Corneille en Anton Rooskens wordt hij bij de 'Nederlandse Experimentele Groep' en Cobra betrokken. Hij gebruikt pas na de Cobra tijd kenmerkende Cobra motieven in zijn werk.

Brands en de Cobra beweging
In 1946 exposeert Brands op de tentoonstelling `Jonge Schilders' in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Daar zijn Appel, Corneille en Rooskens mede-exposanten. Zij zijn erg onder de indruk van zijn werk en vragen of Brands mee wil doen met de experimentele kunstenaars. Brands die meer op zichzelf gericht is moet hier over nadenken. Liever trekt hij zich terug in zijn eigen atelier, in zijn eigen droomwereld. Uiteindelijk laat hij zich toch overhalen. Hij wordt ook bij de Cobra groep betrokken. Echter niet al te lang. Twee dagen na de opening van de grote Cobra tentoonstelling in 1949 in het Stedelijk Museum, na een rel op een literatuuravond, trekt hij zich helemaal terug. Hij verbreekt zelfs de contacten met Appel, Constant en Corneille. Wel heeft hij grote bewondering voor het werk van Constant. Het is zo anders dan zijn eigen werk.
In de korte tijd dat Brands lid is van de Cobra beweging vervult hij een belangrijke rol. Hij zorgt voor de totstandkoming van de grote tentoonstelling in het Stedelijk. Hij onderhoudt het contact met de toenmalige directeur Willem Sandberg die een toezegging heeft gedaan om zijn werken te laten zien. Brands stelt echter voor een gezamenlijke expositie te organiseren met andere kunstenaars die ook het experiment van groot belang achten. Sandberg stemt hiermee in. Zo kan een groot overzicht worden getoond van de experimentele kunstenaars. Op de opening draait Brands een grammofoonplaat met Afrikaanse negermuziek.

Het werk in relatie tot Cobra
De schilderijen van Brands die op de grote Cobra tentoonstelling in het Stedelijk Museum hangen zijn heel anders dan die van de andere Nederlandse Cobra kunstenaars. Terwijl bij de meeste Cobra kunstwerken figuren, dieren, planten en dingen te zien zijn, zijn bij die van Brands voornamelijk kleurvlekken te onderscheiden. Hij vindt dat vorm en kleur zich vanzelf aandienen. "Ik ben geen zender, maar een antenne" beweert hij "of meer een wichelroedeloper, die het penseel niet krampachtig vasthoudt, maar los op zijn hand legt en over het land loopt in afwachting of hij bij de bron komt. Op die manier kom je ergens. Dat is mijn bedoeling van het schilderen". Brands schildert op zijn gevoel en mengt zijn kleuren intuïtief. Hij experimenteert hierbij net als de andere Cobra kunstenaars met allerlei materialen zoals olieverf, houtskool, inkt en gevonden voorwerpen.
Eugène Brands luistert veel naar muziek. Hij houdt van de vroege jazz, de blues, Afrikaanse tromgeroffel en het rituele gezang van de pygmeeënvrouwen. Bij deze muziek kan hij lekker wegdromen, in zijn gedachten zit hij in het oerwoud of reist hij door het universum naar zijn favoriete sterren Orion en Sirius. Als kleine jongen bestudeerde Brands het heelal vanuit zijn dakraam. Ooit vond hij een blauw geëmailleerde pannendeksel, kocht een busje witte rijwiellak en veranderde het in een melkwegstelsel met sterrennevels. Hij noemde het `Deksel des hemels'. Zijn gehele leven lang blijft Brands geboeid door het mysterie van het heelal.

Een thema nader toegelicht: de kindertekeningen van Eugénie
In 1950, ruime tijd nadat Brands het contact met Cobra heeft verbroken, begint hij de tekeningen van zijn driejarige dochtertje Eugénie te verzamelen. Hij dateert deze en verdiept zich volledig in de wereld van de kindertekening. Een jaar later verandert zijn eigen werk. Er verschijnen fantasierijke afbeeldingen die overeenkomsten vertonen met Cobra werken: figuren met grote hoofden, een wandelend huis, boten en een razende vis. Bezoekers zien het verschil niet tussen het werk van hem en zijn dochtertje. Brands is hier trots op. Het is hem dus gelukt om net zo spontaan te werken als kinderen. Brands blijft het experiment trouw. Hij gebruikt verschillende materialen zoals olieverf of gouache (plakkaatverf) en werkt op doek, papier, karton, taartdoos of op behang. Bijna tien jaar lang laat hij zich door de fantasie van het kind inspireren.

ASGER JORN

Biografie
De Deense kunstenaar Asger Oluf Jörgensen, geboren in 1914, is beter bekend als Asger Jorn. Hij overlijdt in 1973. Jorn is veelzijdig: hij schildert, maakt keramiek en schrijft theorieën over kunst. Op zijn eenentwinstigste gaat hij al op de motor naar Parijs en volgt lessen bij de beroemde kunstenaar Fernand Léger. Hij keert weer terug naar Denemarken om verder te studeren aan de academie in Kopenhagen, terwijl hij tussendoor naar Parijs blijft gaan. Daar legt hij contact met Christian Dotremont. In het najaar van 1946 ontmoet hij Constant Nieuwenhuys. Jorn neemt Constant mee naar zijn hotel in Parijs en vertelt hem over zijn plannen om een internationaal tijdschrift uit te geven. Twee jaar later worden deze plannen verwezenlijkt met het Cobra tijdschrift. Jorn is mede-oprichter van Cobra en vormt de schakel tussen de Denen, Belgen en Nederlanders. Hij blijft op allerlei terreinen actief en richt na Cobra nog meer groepen en tijdschriften op.

Jorn en de Cobra beweging
Jorn is een belangrijke inspirator binnen de Cobra beweging. Hij reist veel en onderhoudt de internationale contacten. Zijn werk is te zien op de grote Cobra tentoonstellingen in Amsterdam (1949) en te Luik (1951).
Net als Constant ontwikkelt Jorn vooruitstrevende theorieën. Voor hem is kunst een wijze van leven. Zijn ideeën zijn gestoeld op communistische denkbeelden. Als Jorn door longtuberculose opgenomen moet worden in een sanatorium in Silkeborg en niet kan schilderen voert hij veel gesprekken met de Belgische Cobra kunstenaar Dotremont, die in hetzelfde sanatorium ligt. Hij schrijft in die tijd een boek over kunst. Jorn schrijft eveneens over tekens en magische symbolen die gebruikt worden bij erediensten. Een slang met een opgerolde staart, een motief afkomstig van een gouden hoorn, neemt hij o.a. in zijn geschriften op (zie Cobra p.98).

Het werk in relatie tot Cobra
Jorn die de betekenis van de kindertekening al vroeg inziet laat zijn zevenjarige zoon op een deur in het huis te Bregneröd schilderen (zie Cobra p.136 en Het kind in Cobra p.14). De expressie van zijn zoontje inspireert hem in veel van zijn werken. Samen met Dotremont maakt Jorn een reeks `peintures-mots': woordschilderingen. Het handschrift als spiegel van de eigen persoonlijkheid boeit Jorn erg en in die zin ziet hij schrijven en schilderen als één en dezelfde bezigheid. Tevens maakt Jorn in de Cobra periode enkele schilderijen met zware vormen en donkere kleuren. Onder de indruk van het dreigende gevaar dat de koude oorlog (Sovjet-Unie tegenover West-Europa en de VS) zou kunnen ontaarden in een nucleair conflict schildert hij een serie oorlogsvisioenen. Met agressieve dieren, zoals in het schilderij `Het recht van de adelaar', geeft hij zijn vrees symbolisch weer (zie Cobra p.264 afb.19).

Een thema nader toegelicht: mythen
Jorn schrijft niet alleen over de wereld van de mythen en sagen, maar laat deze ook in zijn werk binnendringen. Hij is een echte mythescheppende kunstenaar. Met diverse kleuren en beweeglijke lijnen schildert hij nu eens dik, dan weer dun op het doek. Fantasiewezens doemen als figuren met grote ogen en hoofden uit de verf op. Fabeldieren schildert hij met enorme bekken, soms met puntige tanden. Muren blijven niet onbedekt. In de woonkamer van het weekendhuis voor architectuurstudenten te Bregneröd vult Jorn de muur met zijn mythische wereld. Fantasiewezens schildert hij ook samen met Erik Nyholm op een wand in de keuken (zie Cobra p.141 en De taal van Cobra p.26).


HENRY HEERUP

Biografie
Heerup wordt geboren in 1907 te Kopenhagen en sterft in 1993. Op school presteert hij niet veel. Via allerlei baantjes leert hij het vakmanschap van schilder, graficus en beeldhouwer. Heerup tekent graag en ziet Rembrandt als zijn grote voorbeeld. Op zijn twintigste wordt hij aangenomen op de academie in Kopenhagen, waar hij schilder- en beeldhouwlessen krijgt.
Via de Deense groep Høst komt hij in aanraking met Cobra.

Heerup en de Cobrabeweging
Henry Heerup, een man van zeer eenvoudige afkomst, wordt door veel Cobrakunstenaars als het voorbeeld van een echte volkskunstenaar gezien. Hij laat zich niet leiden door de regels op de academie en trekt zich niets aan van de in de kunstwereld gevormde ideeën. Uit de Cobra film van Jan Vrijman blijkt zelfs dat hij nog nooit van Cobra gehoord heeft. Heerup gaat dus volkomen zijn eigen gang, zodat hij zich helemaal vrij voelt om zich te uiten. Aangezien deze creatieve vrijheid zo belangrijk wordt geacht door de andere Cobra kunstenaars wordt zijn werk ruim vertegenwoordigd op de grote Cobra tentoonstellingen in 1949 te Amsterdam en in 1951 te Luik.

Het werk in relatie tot Cobra
Op een stuk land buiten Kopenhagen werkt Heerup bijna altijd in de openlucht. Beeldhouwen doet hij in weer en wind. Overal vandaan sleept hij stenen naar zijn werkschuur toe (zie Cobra 3 dimensionaal p.30). Heerup bedenkt van tevoren niet wat hij gaat doen, maar laat zich inspireren door de steen zelf. Hij zegt hierover: "Er ligt altijd iets in de steen zelf". Hij probeert vervolgens de vorm die hij erin verborgen ziet te bevrijden. Zo haalt hij er al hakkend de `Cobraslang' uit (zie Cobra 3 dimensionaal p.51, afb. 45). Ook bevrijdt hij enkele mytische wezens uit het graniet. Heerup verzamelt behalve stenen afvalmaterialen. Van veren, flessendoppen, ijzer en restjes hout maakt hij bijvoorbeeld `Kat met vogel' (zie De taal van Cobra, afb.88). Hij noemt deze beelden: `skraldemodeller' (schrootsculpturen).
De schilderijen die Heerup vervaardigt sluiten nauw aan bij de kunst van primitieve volken en bij kindertekeningen. In deze werken komen symbolen voor van geboorte, liefde, dood en vruchtbaarheid.

Een thema nader toegelicht: het verleden
Heerup is enig kind en zeer geliefd bij zijn moeder. Al zijn werken kunnen gezien worden als een lofzang op haar. De vrouw speelt dan ook een grote rol in zijn werk. Heerup beeldt zijn vrouwen veelal sterk vereenvoudigd uit waardoor zij doen denken aan vervlogen tijden, bijvoorbeeld aan vruchtbaarheidsbeeldjes uit de prehistorie. Dat Heerup geïnteresseerd is in het verleden van zijn eigen land blijkt uit het feit dat hij al in 1935 naar Jutland reist. In het dorp Jellinge treft hij de zogenaamde `Jellingestenen' aan. Hij heeft over deze runenstenen, die over de ontstaansgeschiedenis van zijn vaderland verhalen gehoord, maar wil deze met eigen ogen aanschouwen. Hij ziet dat de oude stenen prachtig versierd zijn (zie De taal van Cobra, afb.i p.35). Heerup is hier zo verrukt over dat hij zich zowel in zijn schilderijen als bij zijn beelden door deze motieven laat beïnvloeden.


PIERRE ALECHINSKY

Biografie
Pierre Alechinsky wordt in 1927 in Brussel geboren. In dezelfde stad studeert hij van 1944 tot 1948 aan de École nationale supérieure d'architecture et des arts décoratifs. Hij legt zich toe op boekillustratie, typografie en verschillende grafische technieken. 1948 brengt hij grotendeels in Parijs door. Het jaar daarop ontmoet hij Dotremont. Samen met hem is Alechinksky de spil van de Belgische tak van Cobra. Hij is mede-organisator van de 'ateliers du Marais', het 'Cobra huis' voor veel Cobra kunstenaars in Brussel. Net als Dotremont reist hij naar het buitenland om contact te leggen met andere Cobra kunstenaars. Na het uiteenvallen van de beweging, in de winter van 1951, vestigt hij zich in Parijs.

Alechinsky en de Cobra beweging
Alechinsky exposeert zijn werk op de grote Cobra tentoonstelling in 1949 in Amsterdam. De expositie in Luik (1951) wordt door hem georganiseerd omdat Dotremont ziek is. Alechinsky stort zich met zoveel enthousiasme op de organisatie van de Cobra beweging en haar tijdschrift dat hij er nauwelijks aan toekomt om zijn eigen kunstwerken te maken. Een groot deel van zijn tijd gaat ook op aan werkzaamheden zoals timmeren en metselen om het 'Cobra huis' aan de Rue du Marais van ateliers en woonruimtes te voorzien.


Het werk in relatie tot de Cobra
Alechinsky is een bewonderaar van volkskunst. Hij vindt de volksachtige houtsneden van de kunstenaar Edgar Tijtgat heel mooi. Tijdens zijn opleiding verdiept hij zich in houtsneden uit oude boekillustraties die naar zijn mening ook een uiting van volkskunst zijn. Hij gebruikt deze als inspiratiebron voor een aantal illustraties. Een paar hiervan, een serie etsen, zijn op de grote Cobra tentoonstelling in Amsterdam te zien. Ook het schilderij `Les mariés (het bruidspaar) dat op de volkskunst is geënt hangt op de tentoonstelling (zie Cobra p.225).
Alechinsky wordt behalve door de volkskunst diep getroffen door de wereld van de Deense en Nederlandse experimentelen, met name het werk van Asger Jorn spreekt hem aan. Hij laat onder invloed van de experimentelen steeds meer fantasiewezens in zijn werk ontspruiten. Terwijl Alechinsky zich in zijn grafiek, tekeningen en gouaches op een hele vrije manier kan uiten lukt het hem in zijn olieverfschilderijen op doek daarentegen pas na de Cobra tijd spontaan te werken. In 1965 verruilt hij de olieverf voor acryl dat veel sneller droogt. Nu kan hij nog directer lijnen, cirkels, tekens, fabeldieren en teksten ineen laten vloeien. Hij gebruikt geen linnen meer, maar papier als ondergrond. Over zijn ontdekking van de acrylverf vertelt Alechinsky: "Omdat ik nu eindelijk kon schilderen zoals ik tekende, altijd al was ik in mijn tekeningen voorop geweest op mijn doeken. Nu eindelijk kon ik het schilderen in de banen van de tekenkunst leiden, en ik kon ook schilderen op bladen papier die losjes op de vloer lagen, ik was verlost van die angstkoorts die me bij de keel nam telkens ik een opgespannen doek tegemoet trad zoals het daar gepropt stond op een schildersezel, die schildersezel die zo gelijkt op een guillotine…". (lees Alechinsky p.37)
Het samenwerken met een andere kunstenaar, waar hij in de Cobra jaren maar weinig toe komt, krijgt ook na die periode meer zijn belangstelling. Met zijn Chinese vriend Walasse Ting maakt hij vierhandige schilderijen: `peintures à quatre mains'. Met Dotremont realiseert hij enkele `peintures-mots': woordschilderingen, waarbij Dotremont een geheel eigen onleesbaar schrift creëert en Alechinsky stripachtige tekeningen maakt (zie De taal van Cobra afb.189 t/m 191).


Een thema nader toegelicht: het schrift

Alechinsky is linkshandig. Op school wordt hij gedwongen ook met zijn rechterhand te schrijven. Hij vindt dit wel een uitdaging en probeert van alles uit. Hij begint van links naar rechts met zijn rechterhand te schrijven en in omgekeerde richting met zijn andere hand. Zo ontwikkelt hij een schrift met beide handen tegelijk (simultaanschrift). De interesse voor het schrift wordt ook gevoed door zijn moeder die grafologe is.
Dotremont, die net zoveel lol als Alechinksky heeft met experimenten met zijn eigen handschrift, brengt hem op het spoor van de oosterse kalligrafie. In 1955 onderneemt Alechinsky een reis naar Japan en bestudeert de Japanse kalligrafie. Daarin vindt hij waar hij naar op zoek is: een `innerlijk schrift', ontstaan vanuit grote vrijheid en uiterste geconcentreerdheid. In Japan bestudeert hij niet alleen het werk van een aantal bekende Japanse kalligrafen, maar ook hun werkwijze. Hij maakt een documentaire film, waarbij hij de totaal andere manier van werken laat zien. Bij de Japanners ligt het papier niet op een tafel zoals bij ons gebruikelijk is, maar op de grond. De kunstenaars kunnen zich daardoor makkelijk over het papier heen buigen en geheel vrij bewegen. Alechinsky maakt zich deze werkwijze eigen en ontdekt wat een verschil dat is. Hij laat zich ook inwijden in het gebruik van allerlei soorten inkten en penselen.


LITERATUURLIJST

Cobra algemeen
Willemijn Stokvis, Ed Wingen, e.a. De taal van Cobra, museumcollectie Van Stuijvenberg Cobramuseum voor Moderne kunst Amstelveen Purmerend, 1995
NB: in de tekst aangegeven met 'De taal van Cobra'

Willemijn Stokvis Cobra 3 dimensionaal Wormerveer, 1998

Willemijn Stokvis Cobra Geschiedenis, voorspel en betekenis van een beweging in de kunst van na de tweede wereldoorlog Amsterdam, 1980
NB: in de tekst aangegeven met 'Cobra'

Chris van der Heijden, e.a Cobra 40 jaar later collectie J. Karel P. van Stuijvenberg Den Haag, 1988
NB: in de tekst aangegeven met 'Cobra 40'

Ed Wingen Het kind in Cobra Amstelveen, 2000

Heleen Naterop Educatieve krant over de geschiedenis van Cobra Benningbroek, 1998
NB: in de tekst aangegeven met 'de Cobra krant'

Stichting Plint Dadatijdschrift voor kinderen van 6 tot 106 jaar: Cobrabeweging Eindhoven nr.13, jrg 3, 1998

Karel Appel
Cathérine van Houts Karel Appel. De biografie Amsterdam, 2000

Corneille
Erik Slagter Corneille Amstelveen, 1997

Eugène Brands
Ed Wingen Eugène Brands collages en assemblages Amsterdam, 1997

Pierre Alechinsky
Freddy de Vree Alechinsky Antwerpen, 1976
NB: in de tekst aangegeven met 'Alechinsky'

Videobanden:
Jan Vrijman: Cobra, een opstand tegen de orde
Jan Vrijman: De werkelijkheid van Karel Appel