Op dit moment zijn we gesloten

Volg ons op Facebook voor het laatste nieuws.

Eugénie Brands neemt u morgen mee door de tentoonstelling van Eugène Brands. Voor de alweer zesde en laatste keer.… twitter.com/i/web/status/9…

#slowartday @cobramuseum zaterdag 14 april. 'Take it slow, take a Slow Art Walk' 🏃‍♀️🏃‍♂️🚶‍♀️🚶‍♂️🐢

Kijk op deze site naar de actuele workshops.

Piet Ouborg

-

Dordrecht 1893, Den Haag 1956

Piet Ouborg werd als Pieter Ouborg op 10 maart 1893  geboren te Dordrecht. Ouborg was van 1916 tot 1938 als tekenleraar werkzaam in het toenmalige Nederlands-Indië, jaren die bepalend waren voor zijn ontwikkeling als kunstenaar. Vooral de magisch religieuze belevingswereld en de exotische maskers en beelden van de oosterse cultuur betekenden voor hem een bron van inspiratie. Als autodidact schilderde hij aanvankelijk het landschap en de bewoners van de Indische eilanden. Hij werd geïnformeerd over de Europese kunst via Franse tijdschriften met reproducties van werk van meesters zoals Pablo Picasso (1881-1973), Georges Braque (1882-1963), André Masson (1896-1987), Max Ernst (1891-1976) en Joan Miró (1893-1983). Ver verwijderd van de brandhaard van het surrealisme, kwam Ouborg in de jaren dertig tot een onvervalst surrealistische stijl waarin westerse en oosterse invloeden samenvielen. Hij maakte visionaire abstracties en experimenteerde met kantachtige arabesken en poëtische kleurvlekken, lijnen en ritmen die door de “automatische” schrifttekens in de trant van Miró een spirituele lading kregen. Dit surrealisme ontwikkelde zich, nadat hij in 1938 definitief in Nederland was teruggekeerd, tot een uitbundig abstract-expressionisme, meer bezonnen, maar even vitaal als het werk van de veel jongere Cobra kunstenaars. Zijn werk ontstond in het kielzog van schilders als Karel Appel (1921-2006), Constant (1920-2005) en Corneille (1922-2010). In 1946 werd Ouborg door de Amsterdamse schilder Willy Boers (1905-1978) gevraagd lid te worden van Vrij Beelden, een nieuwe kunstenaarsvereniging die een abstracte (vrije) wijze van schilderen voorstond. Hij was gewaarschuwd om niet in zee te gaan met “een stelletje communisten”, waarmee de kunstenaars van Vrij Beelden werden bedoeld. Ouborg, die niet uit het rode Amsterdam kwam, vond dat geen bezwaar. Wel liet hij zich bij de eerste tentoonstelling met Vrij Beelden in 1947 geringschattend uit over de artistieke kwaliteit van de groep: “Ik waardeer een enkel schilderij van Sinemus, Boers, Hunziker en Vordemberge-Gildewart. Dan ben ik klaar met mijn opsomming”. Na drie tentoonstellingen besloot hij in maart 1949 niet meer deel te nemen aan Vrij Beelden. Hij veronderstelde dat de leden een tekort aan overtuiging en zelfkritiek en een ongepaste geldingsdrang te verwijten viel. Hoewel Ouborg niet is ingegaan op het voorstel van de experimentele schilders Theo Wolvecamp (1925-1992) en Anton Rooskens (1906-1976), om zich vlak voor de geruchtmakende Cobra tentoonstelling in 1949 bij hen aan te sluiten, was de rel die zijn inzending “Vader en zoon” voor de Jacob Marisprijs in 1950 veroorzaakte, duidelijk een echo van het tumult over de Cobra tentoonstelling. Ook Ouborg werd als een infantiele krabbelaar afgeschilderd. Dat Ouborg als een gedreven pionier in zijn abstracte kunst probeerde door te dringen tot de “oerbron” en het alles omvattende of het “kosmische” wilde uitdrukken blijkt onomstotelijk uit het spirituele karakter van zijn in diepste wezen metafysische kunst waarin hij aan de mensheid juist die geestelijke verrijking bood. Ouborg heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten. Honderden tekeningen, ontwerpschetsjes, gouaches en schilderijen zijn bewaard gebleven. Vanaf 1917 nam hij deel aan groepstentoonstellingen en vanaf 1931 had hij  solotentoonstellingen in Europa en daarbuiten.

Schrijf u in voor de Cobra Museum nieuwsbrief