Op dit moment zijn we gesloten

Volg ons op Facebook voor het laatste nieuws

RT @NPORadio1: Kritische kijk op hedendaagse gebeurtenissen. @cobramuseum-directeur @xanderkarskens in @LangsdeLijnEO: https://t.co/A5Q4bP2…

RT @LangsdeLijnEO: Het @cobramuseum van directeur @xanderkarskens stond vanavond bij #LDLEO in het zonnetje. Luister terug: https://t.co/de…

Kijk naar onze CoBrA Summerschool en Zomerse Zondag Workshop!

Eugène Brands

-

Amsterdam 1913, Amsterdam 2002

Eugène Brands werd als Eugenius Antonius Maria Brands geboren op 15 januari 1913 te Amsterdam. Hij was actief als schilder, maker van assemblages, dichter en schrijver. Begin jaren ‘30 volgde Brands opleidingen aan de Handelsschool en aan de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam en werkte als reclametekenaar. Als schilder was hij autodidact. Hij streefde naar een zuiver inzicht in hetgeen scheppingsdrift in wezen is. Voor hem betekende kunst niet het vervallen in een verstandelijke theorie, een leuze of isme, maar werken vanuit de materie en vanuit de fantasie. Al in 1938 begon hij abstract te schilderen onder invloed van Wassily Kandinsky (1866-1944), Piet Mondriaan (1872-1944), Paul Klee (1879-1940) en Jean Arp (1886-1966) en maakte in de geest van Dada en het surrealisme composities op doek en papier en assemblages van gevonden voorwerpen. Tijdens de oorlog experimenteerde hij met de eigenschappen van materialen. Vooral het laten uitvloeien van inkt op papier of van houtskool en gouache op papier boeide hem enorm. Ook maakte hij een soort drip-paintings waarbij hij, evenals de surrealisten deden, inkt in een automatisch handschrift over het papier liet spatten. Deze wat hij noemde “kosmische kunst” was zijn uitdrukking van imaginaire sterrenbeelden. Op de tentoonstelling Jonge Schilders in 1946 in het Amsterdamse Stedelijk Museum baarde hij opzien met zijn Deksel des hemels, een blauw geëmailleerd pannendeksel vol met witte verfspatjes, omgetoverd tot een melkwegstelsel en met handvaten in de vorm van een regenboog. Mede-exposanten Karel Appel (1921-2006), Corneille (1922-2010) en Anton Rooskens (1906-1976) waren diep onder de indruk van Brands’ speelse en onbeschroomde kunstuitingen. Zij nodigden hem in 1948 uit zich aan te sluiten bij de Experimentele Groep in Holland, die kort daarna opging in de Cobra beweging. Brands leverde enkele bijdragen aan het tijdschrift Reflex (1948-1949)  en nam deel aan de geruchtmakende Cobra tentoonstelling in 1949 in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Daarna besloot Brands zich te distantiëren van Cobra. Brands voelde zich aangetrokken tot het ondogmatische en spontane karakter van de Cobra schilders, maar vergeleken met hen was hij een tamelijk solitaire kunstenaar, niet zozeer maatschappijkritisch van aard maar vooral meditatief ingesteld. Zijn hele leven putte hij inspiratie en troost uit de kosmos, sterren en planeten, lichtjaren en spiraalnevels en het magische zwart. Er is altijd een vleugje kosmos in zijn schilderijen. Zijn credo luidde Panta Rhei, alles vloeit, alles stroomt. De vormen vervloeiden tot mysterieuze wolken, nevels en vlokken door de kleur. En omdat kleur volgens hem vrijwel uitsluitend aan het intuïtieve gevoel appelleert waren de vormen altijd ondergeschikt aan de kleur. Brands werd van jongs af aan gefascineerd door primitieve culturen. In 1947 maakte hij een serie maskers waarin hij de geheimzinnige oerkrachten van het universum wilde uitdrukken. Vanuit diezelfde belangstelling verzamelde hij authentieke volksmuziek en rituele voorwerpen. Na de oorlog was hij een verwoed verzamelaar van Amerikaanse jazzmuziek en spirituals, geïnspireerd door het enthousiasme van Appel voor jazz. Begin jaren ‘50, nadat Brands de beweging al lang had verlaten, kwamen typische Cobra motieven in zijn werk naar voren. Hij verdiepte zich indringend in de wereld van de kindertekening en begon, geïnspireerd door Constant (1920-2005) en Carl-Henning Pedersen (1913-2007), kinderen met waterhoofden, vissen, huizen, boten en mythische tekens te schilderen in een lyrische vegerige stijl die vanwege de wollige uitstraling karakteristiek is voor zijn gehele oeuvre. Na de jaren ‘60, toen het werk weer volledig abstract werd, bouwde hij die uitstraling met de transparante kleuren oranje, wit, geel, heldergroen en lichtblauw uit in steeds grotere doeken. Sinds zijn eerste solotentoonstelling in 1939 in Amsterdam had hij talrijke nationale en internationale solo- en groepstentoonstellingen. Vanaf 1946 nam hij deel aan de belangrijkste naoorlogse exposities: Jonge Schilders, Nieuwe Stromingen, Vrij Beelden, Creatie, Liga Nieuw Beelden en de Salon des Réalités Nouvelles in Parijs.

Schrijf u in voor de Cobra Museum nieuwsbrief